sahāyadhammamitta

Bhadrakasutta
Login

S.42.11 Bhadra - 11. Bhadraka Sutta

Eens verbleef de Verhevene bij de Mallas in Uruvelakappa, zoals een stad van de Mallas wordt genoemd. Toen ging Bhadragaka, de bestuurder, daarheen waar de Verhevene verbleef, begroette hem vol eerbied en ging terzijde zitten. Terzijde zittend sprak nu Bhadragaka, de bestuurder aldus tot de Verhevene:

“Het zou goed zijn, Heer, als de Verhevene mij ontstaan en vergaan van het lijden zou tonen.”

"Als ik jou, bestuurder, met betrekking tot het verleden ontstaan en vergaan van het lijden zou uitleggen: 'Zo was het in het verleden', dan zou jij in twijfels en weifelen raken. Zou ik jou, bestuurder, met betrekking tot de toekomst ontstaan en vergaan van het lijden uitleggen: "Zo zal het in de toekomst zijn", dan zou jij in twijfels en weifelen raken. Maar bestuurder, zoals ik hier zit en jij daar zit, wil ik jou ontstaan en vergaan van het lijden uitleggen. Luister en let goed op mijn toespraak."

“Zeker, Heer,” stemde Bhadragaka, de bestuurder, de Verhevene toe. De Verhevene sprak aldus:

“Wat denk je, bestuurder, zijn er in Uruvelakappa mensen wier dood of gevangenneming, schade of schande jou verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen?”

“Heer, er zijn in Uruvelakappa mensen wier dood of gevangenneming, schade of schande mij verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen.'

"Maar zijn er, bestuurder, in Uruvelakappa mensen wier dood of gevangenneming, schade of schande jou geen verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen?"

"Heer, er zijn in Uruvelakappa mensen wier dood of gevangenneming, schade of schande mij geen verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen.'

"Wat is nu, bestuurder, de aanleiding, wat is de reden dat dood of gevangenneming, schade of schande van sommige mensen jou verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen, en wat is de aanleiding, wat is de reden dat dood of gevangenneming, schade of schande van andere mensen jou niet verdriet, gejammer,smart, hartzeer of wanhoop zou bezorgen?"

"Heer, tot de mensen wier dood of gevangenneming, schade of schande mij verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop zou bezorgen, heb ik wilsprikkel. Heer, tot de mensen wier dood of gevangenname, schade of schande mij niet verdriet, gejammer, smart, hartzeer of wanhoop zou bezorgen, heb ik geen wilsprikkel."

"Jij zegt:' Tot dezen heb ik geen wilsprikkel.' Dan trek van deze geziene en bespeurde, tijdloos ingeziene en begrepen dingen de conclusie op verleden en toekomst: alles dat zich in het verleden aan lijden heeft ontwikkeld, dat alles was in de wil geworteld, kwam uit de wil. En alles dat in de toekomst aan lijden zich zal ontwikkelen, dat alles is geworteld in de wil, komt uit de wil. Want de wil is de wortel van het lijden."

"Verbazingwekkend, Heer, buitengewoon, Heer, hoe treffend heeft de Verhevene gezegd: 'Wat er ook aan lijden zich ontwikkelt, dat alles is geworteld in de wil, komt uit de wil, want de wil is de wortel van het lijden'.

Heer, ik heb een zoon met naam Ciravāsī. Hij woont ergens anders. Als ik opsta, stuur ik een boodschapper, Heer: 'Ga', zeg ik, 'informeer naar Ciravāsī mijn zoon'. Tot deze man, Heer, terugkeert, maak ik me zorgen: 'Hopelijk is Ciravāsī niet ziek."

“Wat denkt jij, bestuurder, zou door dood of gevangenname, door schade of schande van jouw jongen bij jou verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop ontstaan?"

"Heer, als door dood of gevangenname, door schade of schande in het leven van mijn jongen een verandering zou optreden, hoe zou bij mij dan geen verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop ontstaan?"

"Je moet het nu, bestuurder, beschouwen al naar gelang de omstandigheid: 'Alles dat zich aan lijden ontwikkelt, dat alles is geworteld in de wil, komt uit de wil, want de wil is de wortel van het lijden.'

"Wat denk jij, bestuurder, als jij Ciravāsī's moeder nooit had gezien of van haar had gehoord, zou jij dan een wil of prikkeling of voorliefde voor haar hebben?"

''Zeker niet, Heer."

"Maar bestuurder, toen jij haar had gezien en over haar had gehoord,  had jij dan een wil of prikkeling of voorliefde voor haar?"

''Zeker, Heer."

"Wat denk jij, bestuurder, zouden door dood of gevangenname. door schade en schande van Ciravāsī's moeder bij jou verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop ontstaan?"

"Heer, als door dood of gevangenname, door schade of schande bij  Ciravāsī's moeder een verandering optrad, hoe zou bij mij dan geen verdriet, gejammer, smart, hartzeer en wanhoop ontstaan?"

"Bestuurder, daar moet jij het nu al naar gelang de omstandigheid beschouwen: 'Alles dat aan lijden zich ontwikkelt, dat alles is geworteld in de wil, komt uit de wil, want de wil is de wortel van al het lijden.'"

------------

Vertaling door Nico Moonen