Ud. 2.7. De enige zoon - geef op wat dierbaar is
Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het Jeta-park in het klooster van Anāthapindika. Op die tijd was het enige lieve jongetje van een lekenvolgeling gestorven. Toen ging een grote groep van volgelingen in het midden van de dag met natte gewaden en natte haren naar de Verhevene; zij knielden met het hoofd tot op de grond voor hem neer en gingen terzijde zitten. Tot de terzijde zittende lekenvolgelingen sprak de Verhevene: "Waarom komen jullie in het midden van de dag hierheen met nat gewaad en nat haar?"
Op deze vraag antwoordde die lekenvolgeling: "Heer, mijn enige lieve jongetje is gestorven. Daarom zijn wij in het midden van de dag met nat gewaad en nat haar gekomen."
Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:
“De meeste devas en de meeste mensen zijn werkelijk geketend
door wat zij als dierbaar en aangenaam beschouwen.
Uitgeput door verdriet (wanneer hun dierbaren sterven),
worden zij een prooi van de koning van de dood.
Maar zij die dag en nacht oplettend zijn,
die alles opgeven wat dierbaar is,
- het lokaas van de dood die zo moeilijk is te overwinnen -
door hen wordt de wortel van verdriet uitgegraven.”
--------------
Vertaling door Nico Moonen.