sahāyadhammamitta

Tien Perfecties
Login

De Tien Perfecties
dasa pāramiyo

Deze waarden moeten worden nagestreefd door elke bodhisatta en, in ruimere zin, door elke volgeling.

dāna             : vrijgevigheid
sīla                : deugd, moraal, juist gedrag
nekkhamma  : verzaking, loslaten
paññā           : transcendentale wijsheid, inzicht
viriya            : energie, ijver
khanti           : geduld, tolerantie, verdraagzaamheid
sacca    : eerlijkheid, waarheidslievendheid
adhiṭṭhāna     : volharding, doorzettingsvermogen
mettā    : goede wil, liefdevolle vriendelijkheid
upekkhā       : gelijkmoedigheid, kalmte

Het pāḷi woord pāramitā wordt over het algemeen vertaald als 'perfectie'. 'Volmaaktheden' is ook goed. Wat bedoeld wordt is een lijst van 'volmaakte deugden' waarover iemand zou kunnen of moeten beschikken. Theravāda boeddhisme kent tien van die perfecties. De perfecties komen als verzameling niet voor in de oudste delen van de pāḷi canon zoals de dīgha-, de majjhima-, de saṃyutta- en de aṅguttaranikāya. We vinden ze wel terug in de jātaka's, apadāna, buddhavaṃsa en de cariyāpiṭaka, niet toevallig allemaal onderdeel van de jongere khuddakanikāya.

Er wordt beweerd dat de pāramitā (parami's) semi-Mahāyāna doctrine is die Theravāda ingeslopen is om zo meer tegemoet te komen aan de behoeftes en voorstellingsvermogen van de lekenvolgelingen. Dit gaat er wel vanuit dat Mahāyāna is ontsprongen uit (volks-)devotie. Hoewel er zeker reden voor is om zo te denken, heeft de hele vroege Mahāyāna literatuur echter een aardig ascetisch karakter en benoemt onder andere het ideaal van de in het woud levende monnik.

Hoe het ook zij, de perfecties zijn uitstekende doelen om na te streven voor iedere mens, boeddhist of niet. De meeste perfecties worden algemeen erkend als gewoon een goed idee. Een uitzondering vormt paññā, dat een nogal specifieke betekenis kent binnen het boeddhisme. Twee perfecties, mettā en upekkhā zijn ook Hemelse Verblijven.

It should be noted that in established Theravāda tradition the pāramīs are not regarded as a discipline peculiar to candidates for Buddhahood alone but as practices which must be fulfilled by all aspirants to enlightenment and deliverance, whether as Buddhas, paccekabuddhas, or disciples. What distinguishes the supreme bodhisattva from aspirants in the other two vehicles is the degree to which the pāramīs must be cultivated and the length of time they must be pursued. But the qualities themselves are universal requisites for deliverance, which all must fulfill to at least a minimal degree to merit the fruits of the liberating path.
- A Treatise on the Paramis, Bhikkhu Bodi (https://www.accesstoinsight.org/lib/authors/bodhi/wheel409.html)