Ud. 8.8. Visākhā
Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het oostelijk gelegen park in het herenhuis van Migāra’s moeder. Op die tijd was Visākhā’s kleinzoon die haar zeer dierbaar was geweest, gestorven. Toen ging Visākhā, Migāra’s moeder, met natte kleren en nat haar in het midden van de dag naar de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd tot op de grond en ging terzijde zitten. De Verhevene vroeg haar: “waar kom jij vandaan, Visākhā, in het midden van de dag met natte kleren en nat haar?” - “Eerwaarde Heer, mijn kleinzoon die mij zeer dierbaar was, is gestorven. Daarom kom ik in het midden van de dag met natte kleren en nat haar.”
“Visākhā, zou jij graag zoveel zonen en kleinzonen willen hebben als er inwoners te Sāvatthī zijn?” - “Eerwaarde Heer, graag zou ik zoveel zonen en kleinzonen willen hebben als er inwoners te Sāvatthī zijn.”
“Maar Visākhā, hoeveel mensen sterven er dagelijks in Sāvatthī?” - “Eerwaarde Heer, misschien sterven er tien mensen per dag in Sāvatthī. Of misschien sterven er ook negen, of acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee mensen per dag, of misschien sterft er maar één persoon per dag in Sāvatthī. Eerwaarde Heer, Sāvatthī is nooit zonder dat er iemand sterft.”
“Visākhā, wat is jouw mening, zou jij dan ooit zonder natte kleren en nat haar zijn?” - “ Neen, Eerwaarde Heer. Genoeg met mijn wens om zoveel zonen en kleinzonen te hebben.”
“Visākhā, zij die honderd dierbaren hebben, hebben honderd soorten lijden. Zij die negentig dierbaren hebben, hebben negentig soorten lijden. Zij die tachtig, zeventig, zestig, vijftig, veertig, dertig, twintig, tien, vijf, vier, drie, twee dierbaren hebben, hebben tachtig, zeventig, zestig, vijftig, veertig, dertig, twintig, tien, vijf, vier, drie, twee soorten lijden. Zij die één dierbare hebben, hebben één lijden. Zij die geen dierbaren hebben, hebben geen lijden. Zij zijn zonder leed, zonder droefenis, zijn niet wanhopig, zo zeg ik.”
Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:
“wat er bestaat aan leed en geweeklaag,
de verschillende soorten van lijden in de wereld,
Zij bestaan vanwege dat er iets dierbaars bestaat;
zonder iets dierbaars zouden zij niet bestaan.
Daarom zijn zij gelukkig en vrij van leed
die nergens iets dierbaars hebben in de wereld.
Wie vrij wil zijn van leed en van droefenis,
laat hij nergens iets dierbaars hebben in de wereld.”
--------------
Vertaling door Nico Moonen.