sahāyadhammamitta

jīvaka sutta
Login

jīvaka sutta (majjhima nikāya 55)

Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Rājagaha in het mango-bosje van Jīvaka Komārabhacca. Jīvaka Komārabhacca ging er naar de Verhevene, en nadat hij hem eer had betoond, ging hij terzijde zitten en zei tegen de Verhevene: 'Eerwaarde heer, ik heb dit gehoord:' Zij slachten levende wezens voor de monnik Gotama; de monnik Gotama eet bewust vlees dat voor hem werd bereid van dieren die voor hem gedood werden.' Eerwaarde Heer, zeggen degenen die zo spreken datgene wat door de Verhevene is gezegd, en stellen zij Hem niet verkeerd voor met wat in strijd is met de waarheid? Geven zij in overeenstemming met de Dhamma een uitleg op een zodanige manier dat niets wat een reden tot afkeuring zou kunnen scheppen, terecht uit hun beweringen afgeleid kan worden? "

"Jīvaka, degenen die zo spreken, zeggen niet datgene wat door mij is gezegd, maar geven een verkeerde voorstelling van mij met wat onwaar is en de waarheid tegenspreekt."

"Jīvaka, ik zeg dat er drie gevallen zijn waarin vlees niet dient te worden gegeten: wanneer men ziet, hoort of vermoedt dat het levende wezen voor de bhikkhu geslacht is. Ik zeg dat in deze drie gevallen vlees niet dient te worden gegeten.

Ik zeg dat er drie gevallen zijn waarin vlees mag worden gegeten: wanneer men niet ziet, niet hoort en niet vermoedt dat het levende wezen voor de bhikkhu is geslacht. Ik zeg dat in deze drie gevallen vlees mag worden gegeten.

"Jīvaka, daar leeft de een of andere bhikkhu in afhankelijkheid van een bepaald dorp of een bepaalde stad. Hij vertoeft, terwijl hij de ene hemelrichting doordringt met een hart dat gevuld is met liefdevolle vriendelijkheid; evenzo de tweede, evenzo de derde, evenzo de vierde hemelrichting; ook naar boven, naar beneden, in alle richtingen en overal heen, en voor allen zoals voor zichzelf. Hij vertoeft, terwijl hij de hele wereld doordringt met een hart dat gevuld is met liefdevolle vriendelijkheid, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwaadwil. Dan komt een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd naar hem toe en nodigt hem uit voor de maaltijd op de volgende dag. De bhikkhu neemt de uitnodiging aan, als hij wil. Als de nacht voorbij is, kleedt hij zich 's ochtends aan, neemt zijn nap en oppergewaad, gaat naar het huis van dat gezinshoofd of van die zoon van een gezinshoofd en gaat op een voorbereide zitplaats zitten. Dan onthaalt het gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd hem met goed aalmoezenvoedsel. Hij denkt niet: 'Wat goed dat dit gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd mij onthaalt met goed aalmoezenvoedsel. O, moge mij toch een gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd ook in de toekomst onthalen met dergelijk goed aalmoezenvoedsel.' Zo denkt hij niet. Hij eet dat aalmoezenvoedsel zonder eraan geboeid te zijn, zonder daardoor verleid te zijn, zonder eraan gehecht te zijn, doordat hij het gevaar erin onderkent en begrijpt hoe men eraan ontsnapt. Wat meen je, Jīvaka? Zou die monnik bij een dergelijke gelegenheid een keuze maken die hem tot schade zou strekken, of die een ander tot schade zou strekken, of die beiden tot schade zou strekken?"

- "Nee, eerwaarde heer. "

-" Voedt die bhikkhu zich bij die gelegenheid niet met onberispelijk eten?"

"Ja, Eerwaarde Heer. Ik heb dit gehoord, Eerwaarde Heer: 'Brahmā vertoeft in liefdevolle vriendelijkheid.' Eerwaarde Heer, de Verhevene is mijn zichtbare getuige daarvoor; want de Verhevene vertoeft in liefdevolle vriendelijkheid.'

"Jīvaka, elke begeerte, elke haat, elke verblinding op grond waarvan kwaadwil zou kunnen ontstaan, zijn door de Tathāgata overwonnen, aan de wortel afgesneden, aan een palmstronk gelijk gemaakt, zijn verwijderd, zodat ze niet meer onderhevig zijn aan toekomstig ontstaan. Als jouw verklaring daarop betrekking heeft, dan sta ik ze jou toe."

"Eerwaarde heer, "mijn verklaring heeft precies daarop betrekking."

"Jīvaka, daar leeft de een of andere bhikkhu in afhankelijkheid van een bepaald dorp of een bepaalde stad. Hij vertoeft, terwijl hij de ene hemelrichting doordringt met een hart dat gevuld is met medeleven; evenzo de tweede, evenzo de derde, evenzo de vierde hemelrichting; ook naar boven, naar beneden, in alle richtingen en overal heen, en voor allen zoals voor zichzelf. Hij vertoeft, terwijl hij de hele wereld doordringt met een hart dat gevuld is met medeleven, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwaadwil. Dan komt een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd naar hem toe en nodigt hem voor de maaltijd op de volgende dag. De bhikkhu neemt de uitnodiging aan, als hij wil. Als de nacht voorbij is, kleedt hij zich 's ochtends aan, neemt zijn nap en oppergewaad, gaat naar het huis van dat gezinshoofd of van die zoon van een gezinshoofd en gaat op een voorbereide zitplaats zitten. Dan onthaalt het gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd hem met goed aalmoezenvoedsel. De bhikkhu denkt niet: 'Wat goed dat dit gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd mij onthaalt met goed aalmoezenvoedsel. O, moge mij toch een gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd ook in de toekomst onthalen met dergelijk goed aalmoezenvoedsel.' Zo denkt hij niet. Hij eet dat aalmoezenvoedsel zonder eraan geboeid te zijn, zonder erdoor verleid te zijn, zonder eraan gehecht te zijn, doordat hij het gevaar erin onderkent en begrijpt hoe men eraan ontkomt. Wat meen je, Jīvaka? Zou die monnik bij een dergelijke gelegenheid een keuze maken die hem tot schade zou strekken, of die een ander tot schade zou strekken, of die beiden tot schade zou strekken?"

- "Nee, eerwaarde heer. "

-" Voedt die bhikkhu zich bij die gelegenheid niet met onberispelijk eten?"

"Ja, eerwaarde heer. Ik heb dit gehoord, eerwaarde heer: 'Brahmā vertoeft in medeleven.' Eerwaarde Heer, de Verhevene is mijn zichtbare getuige daarvoor; want de Verhevene vertoeft in medeleven.'

"Jīvaka, elke begeerte, elke haat, elke verblinding op grond waarvan wreedheid zou kunnen ontstaan, zijn door de Tathāgata overwonnen, aan de wortel afgesneden, aan een palmstronk gelijk gemaakt, zijn verwijderd, zodat ze niet meer onderhevig zijn aan toekomstig ontstaan. Als jouw verklaring daarop betrekking heeft, dan sta ik ze jou toe."

"Eerwaarde heer, "mijn verklaring heeft precies daarop betrekking."

"Jīvaka, daar leeft de een of andere bhikkhu in afhankelijkheid van een bepaald dorp of een bepaalde stad. Hij vertoeft, terwijl hij de ene hemelrichting doordringt met een hart dat gevuld is met medevreugde; evenzo de tweede, evenzo de derde, evenzo de vierde hemelrichting; ook naar boven, naar beneden, in alle richtingen en overal heen, en voor allen zoals voor zichzelf. Hij vertoeft, terwijl hij de hele wereld doordringt met een hart dat gevuld is met medevreugde, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwaadwil. Dan komt een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd naar hem toe en nodigt hem voor uit voor de maaltijd op de volgende dag. De bhikkhu neemt de uitnodiging aan, als hij wil. Als de nacht voorbij is, kleedt hij zich 's ochtends aan, neemt zijn nap en oppergewaad, gaat naar het huis van dat gezinshoofd of van die zoon van een gezinshoofd en gaat op een voorbereide zitplaats zitten. Dan onthaalt het gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd hem met goed aalmoezenvoedsel. De bhikkhu denkt niet: 'Wat goed dat dit gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd mij onthaalt met goed aalmoezenvoedsel. O, moge mij toch een gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd ook in de toekomst onthalen met dergelijk goed aalmoezenvoedsel.' Zo denkt hij niet. Hij eet dat aalmoezenvoedsel zonder eraan geboeid te zijn, zonder erdoor verleid te zijn, zonder eraan gehecht te zijn, doordat hij het gevaar erin onderkent en begrijpt hoe men eraan ontkomt. Wat meen je, Jīvaka? Zou die monnik bij een dergelijke gelegenheid een keuze maken die hem tot schade zou strekken, of die een ander tot schade zou strekken, of die beiden tot schade zou strekken?"

- "Nee, Eerwaarde Heer. "

-" Voedt die bhikkhu zich bij die gelegenheid niet met onberispelijk eten?"

"Ja, Eerwaarde Heer. Ik heb dit gehoord, Eerwaarde Heer: 'Brahmā vertoeft in medevreugde.' Eerwaarde Heer, de Verhevene is mijn zichtbare getuige daarvoor; want de Verhevene vertoeft in medevreugde.”

"Jīvaka, elke begeerte, elke haat, elke verblinding op grond waarvan afgunst zou kunnen ontstaan, zijn door de Tathāgata overwonnen, aan de wortel afgesneden, aan een palmstronk gelijk gemaakt, zijn verwijderd, zodat ze niet meer onderhevig zijn aan toekomstig ontstaan. Als jouw verklaring daarop betrekking heeft, dan sta ik ze jou toe."

"Eerwaarde heer, "mijn verklaring heeft precies daarop betrekking."

"Jīvaka, daar leeft de een of andere bhikkhu in afhankelijkheid van een bepaald dorp of een bepaalde stad. Hij vertoeft, terwijl hij de ene hemelrichting doordringt met een hart dat gevuld is met gelijkmoedigheid; evenzo de tweede, evenzo de derde, evenzo de vierde hemelrichting; ook naar boven, naar beneden, in alle richtingen en overal heen, en voor allen zoals voor zichzelf. Hij vertoeft, terwijl hij de hele wereld doordringt met een hart dat gevuld is met gelijkmoedigheid, onuitputtelijk, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwaadwil. Dan komt een gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd naar hem toe en nodigt hem uit voor de maaltijd op de volgende dag. De bhikkhu neemt de uitnodiging aan, als hij wil. Als de nacht voorbij is, kleedt hij zich 's ochtends aan, neemt zijn nap en oppergewaad, gaat naar het huis van dat gezinshoofd of van die zoon van een gezinshoofd en gaat op een voorbereide zitplaats zitten. Dan onthaalt het gezinshoofd of de zoon van een gezinshoofd hem met goed aalmoezenvoedsel. De bhikkhu denkt niet: 'Wat goed dat dit gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd mij onthaalt met goed aalmoezenvoedsel. O, moge mij toch een gezinshoofd of zoon van een gezinshoofd ook in de toekomst onthalen met dergelijk goed aalmoezenvoedsel.' Zo denkt hij niet. Hij eet dat aalmoezenvoedsel zonder eraan geboeid te zijn, zonder erdoor verleid te zijn, zonder eraan gehecht te zijn, doordat hij het gevaar erin onderkent en begrijpt hoe men eraan ontkomt. Wat meen je, Jīvaka? Zou die monnik bij een dergelijke gelegenheid een keuze maken die hem tot schade zou strekken, of die een ander tot schade zou strekken, of die beiden tot schade zou strekken?"

- "Nee, Eerwaarde Heer. "

-" Voedt die bhikkhu zich bij die gelegenheid niet met onberispelijk eten?"

"Ja, Eerwaarde Heer. Ik heb dit gehoord, Eerwaarde Heer: 'Brahmā vertoeft in gelijkmoedigheid.' Eerwaarde Heer, de Verhevene is mijn zichtbare getuige daarvoor; want de Verhevene vertoeft in gelijkmoedigheid.”

"Jīvaka, elke begeerte, elke haat, elke verblinding op grond waarvan afkeer, tegenzin zou kunnen ontstaan, zijn door de Tathāgata overwonnen, aan de wortel afgesneden, aan een palmstronk gelijk gemaakt, zijn verwijderd, zodat ze niet meer onderhevig zijn aan toekomstig ontstaan. Als jouw verklaring daarop betrekking heeft, dan sta ik ze jou toe."

"Eerwaarde heer, "mijn verklaring heeft precies daarop betrekking."

"Wanneer iemand een levend wezen voor de Tathāgata of zijn discipel slacht, dan produceert hij in vijf gevallen veel slechte gevolgen. Als hij zegt: 'Ga dat levende wezen halen', dan is dit het eerste geval waarin hij veel slechte gevolgen produceert. Als dat levende wezen pijn en verdriet ervaart terwijl het aan het touw om de hals weggeleid wordt, dan is dit het tweede geval waarin hij veel slechte gevolgen produceert. Als hij zegt: 'Ga dat levende wezen schlachten', dan is dit het derde geval waarin hij veel slechte gevolgen produceert. Als dat levende wezen pijn en verdriet ervaart terwijl het geslacht wordt, dan is dit het vierde geval waarin hij veel slechte gevolgen produceert. Wanneer hij de Tathagata of zijn discipel verzorgt met voedsel dat niet geoorloofd is, dan is dit het vijfde geval waarin hij veel slechte gevolgen produceert. Iedereen die een levend wezen voor de Tathāgata of zijn discipel slacht, produceert in deze vijf gevallen veel slechte gevolgen."

Na deze woorden zei Jīvaka Komārabhacca tegen de Verhevene: "Het is geweldig, Eerwaarde Heer, het is verbazingwekkend. De bhikkhus voeden zich met geoorloofd voedsel. De bhikkhus voeden zich met onberispelijk voedsel. Geweldig, Eerwaarde Heer. De Dhamma is door de Verhevene op veel manieren duidelijk gemaakt.

... Ik neem mijn toevlucht tot de Verhevene en tot de Dhamma en tot de Sangha van de bhikkhus. Moge de Verhevene mij vanaf vandaag aannemen als een lekenvolgeling die tot hem levenslang toevlucht heeft genomen."

Commentaar:

Het eten van vlees is door de Boeddha niet verboden voor leken. Als de regel toegepast wordt dat men vlees niet mag eten waarvan men vermoedt of weet dat het afkomstig is van een levend wezen dat specifiek voor iemand persoonlijk is gedood, ook dan mag men vlees eten. Want hoewel vlees afkomstig is van dieren die gefokt en dan geslacht worden om als eten te dienen voor veel mensen, worden zij (meestal) niet specifiek voor iemand persoonlijk geslacht. Vegetarisme is dus een persoonlijke keuze.

Maar als we denken aan vraag en aanbod, dat de vraag naar vlees bepaalt of er veel of minder dieren en vogels gedood worden, en ook tegenwoordig als we denken aan de lange transportwegen die dieren moeten afleggen in slechte omstandigheden, dan spreekt veel ervoor om van het eten van vlees af te zien.