Mettā Sutta****
Met de mettā sutta wordt over het algemeen de karaṇīya mettā sutta bedoeld, die te vinden is in de suttanipāta als 1.08, in de khuddakanikāya. Deze wordt direct hieronder beschreven. Daar weer onder staat de mettā sutta, ook wel mettanisamsa sutta genoemd, uit de aṅguttaranikāya. Hij staat daar als zestiende in het Boek van de Elven. AN 11.16.
Karaṇīya Mettā Sutta
De karaṇīya mettā sutta is een zeer bekende en geliefde tekst onder boeddhisten. De sutta beschrijft op schitterende, dichterlijke wijze de positieve, warme eigenschappen van iemand die werk maakt van de Hemelse Verblijven. De volgeling die dit wil zorgt ervoor zeerbescheiden te zijn, zachtmoedig, kalm en een simpel leven te lijden. Hij wenst verder alle wezens, overal, zonder enige beperking, het beste toe.
De sutta zelf is hoort bij de suttanipāta, binnen de khuddakanikāya, en is vrij atypisch. Hij begint niet met de gebruikelijke aanhef "evaṃ me sutaṃ" of "aldus heb ik gehoord" waarmee voordrachten van de heiligeānanda altijd beginnen. Verder volgt er aan het eind geen acclamatie. Vrijwel elke sutta eindigt met enkele korte zinnen waarmee de toehoorders uitdrukken hoe geweldig ze het vonden. Hoe dan ook komt er geen proza voor in deze sutta, die alleen uit verzen bestaat. Ook dit is binnen de suttanipāta uitzonderlijk.
De laatste twee verzen vertonen een afwijkend ritme. Hoogstwaarschijnlijk heeft degene die de mondeling overgeleverde tekst uiteindelijk op schrift stelde gemeend extra uitleg te moeten geven. De Hemelse Verblijven werden indertijd geassocieerd met de 'vereniging met Brahmā', een godheid die deze gemoedstoestanden vertoonde. In tegenstelling tot veel andere bekende goden voelde Brahmā géén woede, jaloezie of iets dergelijks). In de Brahmaanse cultuur, waar de Boeddha op reageerde met deze sutta, werd de vereniging overdrachtelijk opgevat. Je kon 'brahma-samo', zijn; aan Brahmā gelijk, worden door deze oefeningen te doen.
Tegen de tijd dat de overgeleverde teksten werden opgeschreven was de cultuur veranderd en er ontstond het gevaar dat toehoorders dit letterlijk zouden opvatten. Het doel van de Leer is echter niet wedergeboorte bij/als Brahmā (in een brahmaloka) maar de Verlichting. De laatste twee verzen leggen dit daarom nog eens uit. Niettegenstaande de extra tekst is wedergeboorte in de brahmaanse hemel nog steeds standaard doctrine voor iedereen die enige vaardigheid heeft bereikt in de eerste jhana.
De tekst van de karaṇīya mettā sutta
De Nederlandse vertaling volgt hieronder.
mettasuttaṃ
karaṇīyam atthakusalena
yantaṃ santaṃ padaṃ abhisamecca
sakko ujū ca suhujū ca
suvaco c’assa mudu anatimānī
santussako ca, subharo ca
appakicco ca, sallahuka-vutti
santindriyo ca, nipako ca
appagabbho, kulesu ananugiddho
na ca khuddaṃ samācare kiñci
yena viññū pare upavadeyyuṃ.
sukhino vā khemino hontu
sabbe sattā bhavantu sukhitattā.
ye keci pāna bhūtatthi
tasāvā thāvarā vā anavasesā,
dighā vā ye mahantā vā
majjhimā-rassakānuka thūlā
ditthā vā yeva aditthā
ye ca dūre vasanti avidūre
bhūtā vā sambhavesī vā
sabbe sattā bhavantu sukhitattā
**
Na paro param nikubbetha
nāti-maññetha katthaci nam kañci
byāro-sanā patigha-saññā
nāñña-maññassa dukkham-iccheyya
mātā yathā niyam puttam
ā yusā ekaputta-manurakkhe
Evampi sabba bhūtesu
mānasam-bhāvaye aparimānam
Mettañ ca sabba lōkasmim
mānasam bhāvaye aparimānam
uddham adho ca tiriyañ ca
asambādham averam asapattam
Tittham caram nisinno vā
sayāno vā yāvat’assa vigatamiddho
etam satim adhittheyya
brahma metam vihāram idha-māhu
Ditthiñ ca anupagamma sīlavā
dassanena sampanno
kāmesu vineyya gedham
nahi jātu gabbhaseyyam punaretī ti
Karaṇīya Mettā Sutta
Dit is wat gedaan moet worden door hij die bekwaam in goedheid is die het pad der vrede kent.
Hij moet het heilzame weten, moet energiek zijn en geheel en al oprecht.
Hij moet vriendelijk zijn, zachtmoedig, nederig en zonder hoogmoed,
tevreden en gemakkelijk in onderhoud te voorzien, onbelast met vele
bezigheden
en zuinig in zijn doen, vredig en kalm, wijs en kundig, bescheiden,
zonder begeerte,
Laat hem niet de geringste overtreding begaan waarvoor andere wijze mensen hem of haar zouden kunnen berispen.
En laat hij of zij denken: “In alle blijdschap en veiligheid, mogen alle wezens op hun gemak zijn."
Wat voor levende wezens er ook mogen zijn, hetzij zwak of sterk, alle
zonder uitzondering,
de grote of de machtige, middelmatige, korte of kleine,
zichtbare en onzichtbare wezens, de wezens die veraf zich bevinden of
nabij,
geboren wezens en die nog geboren worden, mogen alle wezens op hun gemak
zijn.
Laat niemand de ander bedriegen en laat men niemand verachten om welke
reden dan ook.
Laat men nooit iemand anders iets kwaads toewensen, uit ergernis of uit
vijandige gezindheid.
Zoals een moeder haar eigen zoon, haar enig kind beschermt met haar
leven,
laat men zo met een grenzeloos hart alle levende wezens koesteren.
Laat men vol vriendelijkheid voor de gehele wereld z’n hart onbegrensd
worden:
opwaarts, neerwaarts, rondom en kruiselings in het midden, naar alle
richtingen;
onbelemmerd, vredelievend, vrij van vijandschap.
Staand of gaand, gezeten of liggend, vrij van vermoeidheid, moet hij
zich vestigen
in deze oplettendheid. Dat wordt genoemd de Hemelse Verblijven.
En wie niet meer in verkeerde meningen is gevangen, wie deugdzaam is,
aan wie inzicht eigen is,
wie begeerte naar zintuiglijk genot heeft overwonnen, hij of zij komt
beslist niet meer in een moederschoot.
Door zich niet te houden aan vaststaande visies, voorzien van een
heldere blik, bevrijd van
zintuiglijke verlangens, wordt hij die puur van hart is niet meer
geboren in deze wereld.
Deze wat meer dichterlijke en mooier lopende vertaling is te bewonderen in de bibliotheek van retraitecentrum Metta Vihara in Hengstdijk:
Wie op vaardige wijze naar het heil wil streven om de toestand van vrede te bereiken
die moet kundig, eerlijk en oprecht zijn, zachtaardig, voorkomen en bescheiden.
Hij is tevreden en matig, niet veeleisend, vrij van zorgen en sober levend,
kalm van zinnen en verstandig, niet gulzig, als hij bij families eet. In zijn gedrag is er
niets laags te vinden waardoor anderen, verstandigen, hem zouden laken.
Mogen alle wezens gelukkig zijn en vredig, laten ze allen geluk ervaren in hun hart.
Wat voor levende wezens er ook zijn, beweeglijk of onbeweeglijk, allemaal, lang zijn
of groot zijn, middelmatig, klein of fors, zichtbaar of onzichtbaar, en of ze ver weg
leven of dichtbij, al geboren of naar geboorte strevend, mogen alle wegens gelukkig zijn.
Laat de een de ander niet vernederen, en niemand minachten waar dan ook, laat men
elkaar geen leed toewensen uit boosheid of vijandigheid.
Zoals een moeder haar enige kind met haar leven wil beschermen, zo moge men tegenover
alle wezens een onmetelijke geest ontplooien naar omhoog naar beneden en rondom,
onbeperkt, vrij van haat en vijandschap. Of men nu staat, loopt, zit of ligt. Dit noemt men
hier een verheven verwijlen. Als hij geen opinies koestert, deugdzaam leeft en inzicht heeft,
begeerte wegleidt van genoegens, dan gaat hij tot geen moederschoot meer in.
mettanisamsa sutta
In dit fragment worden elf voordelen beschreven van het cultiveren van mettā of liefdevolle vriendelijkheid. Dit zijn: makkelijk slapen, makkelijk wakker worden, geen nare dromen, geliefd bij menselijke wezens, geliefd bij niet-menselijke wezens, beschermd door de goden (deva's), onaanraakbaar door vuur, onaanraakbaar door gif, onaanraakbaar door wapens, makkelijk te verkrijgen concentratie, een helder aangezicht, sterven zonder verwarring en - als men niet verder komt tenminste - wedergeboorte in de Brahmā-wereld.
Mettānisaṃsa suttaṃ
**
Mettāya bhikkhave cetovimuttiyāāsevitāya bhāvitāya bahulīkatāya yānīkatāya vatthukatāya anuṭṭhitāya paricitāya susamāraddhāya ekādasānisaṃsā pāṭikaṅkhā. Katame ekādasa:
Sukhaṃ supati, sukhaṃ paṭibujjhati, na pāpakaṃ supinaṃ passati. Manussānaṃ piyo hoti, amanussānaṃ piyo hoti, devatā rakkhanti, nāssa aggī vā visaṃ vā satthaṃ vā kamati, tuvaṭaṃ cittaṃ samādhiyati, mukhavaṇṇo vippasīdati, asammūḷho kālaṃ karoti, uttariṃ appaṭivijjhanto brahmalokūpago hoti.
Mettāya bhikkhave cetovimuttiyāāsevitāya bhāvitāya bahulīkatāya yānīkatāya vatthukatāya anuṭṭhitāya paricitāya susamāraddhāya ime ekādasānisaṃsā pāṭikaṅkhāti.
Mettānisaṃsa sutta
"Monniken, voor één wiens bewustzijn-loslating door middel van goede wil is gecultiveerd, ontwikkeld, nagestreefd, een vervoermiddel gegeven, gegrondvest, gestabiliseerd, geconsolideerd en goed ondernomen, kunnen elf voordelen worden verwacht. Welke elf?"
"Men slaapt gemakkelijk, wordt gemakkelijk wakker en droomt geen slechte dromen. Men is de mens dierbaar, dierbaar voor niet-menselijke wezens. De deva's beschermen hem. Noch vuur, gif of wapens kunnen hem raken. Diens geest verkrijgt snel concentratie. Diens huid is helder. Hij sterft zonder verwarring en - als hij niet hoger indringt - is op weg naar een Brahmā-wereld."
"Dit zijn de elf voordelen die kunnen worden verwacht voor iemand wiens bewustzijns-loslating door middel van goede wil is gecultiveerd, ontwikkeld, nagestreefd, de teugels overhandigd, als basis genomen, gestabiliseerd, geconsolideerd en goed ondernomen."