sahāyadhammamitta

Boeddha
Login

De Boeddha

Siddhattha Gotama van de stam Sakya, beter bekend als de Boeddha, werd geboren in of rond 450 v. Chr. in Lumbini in het zuiden van wat nu Nepal is. Zeker is dat hij van zeer hoge geboorte was, hoewel hij hoogstwaarschijnlijk geen kroonprins was. De Sakiërs waren onderdeel van het Vedische India en werden geleid als een oligarchie met een gekozen leider. Een van de namen voor de Boeddha is Sakyamuni of wijze van de Sakiërs. Ze waren tegen de tijd dat de Boeddha geboren werd een vazalstaat geworden van het grotere koninkrijk Kosala. Een leven als machtig man aan het hof lag in het vooruitzicht. Het is anders gegaan.

Het leven van de Boeddha is, vanaf zijn geboorte tot en met zijn dood, doorspekt met wonderen, als we alle verhalen geloven. Hoewel het iedereen vrij staat dit te doen, komt een flink aantal verhalen niet overeen met wat wij letterlijke geschiedenis zouden noemen. Zo zou hij zeer bijzondere uiterlijke kenmerken hebben gehad en direct na de geboorte een aantal stappen in een zeer bepaalde richting hebben gezet. Deze verhalen passen zeer goed bij de diepe eerbied die de volgelingen voelden (en voelen!) en op deze manier tot uitdrukking kwam. Gelukkig draait de Leer niet om deze verhalen en ook niet om het voetstoots aannemen van allerlei stellingen.

Op vijfendertigjarige leeftijd verliet Siddhattha zijn vrouw Yasodharā en zijn zoon Rahula. Hij verliet het luxe leven om als asceet verder te gaan. Hij kreeg les van minimaal twee zeer vergevorderde asceten en beperkte zijn voedsel zo enorm dat hij afschrikwekkend mager werd. Dit, echter, leverde volgens hem niet het eindantwoord op. Het was de uiteindelijk door hem ontdekte 'middenweg' die wel uitkomst leverde en hem bracht tot de Verlichting, definitief en volkomen afscheid van alle lijden.

De Boeddha zag zichzelf niet als een bedenker van een nieuw concept. Hij had als het ware een natuurwet herontdekt en kon daar op effectieve wijze instructie in geven. De leer van deze nieuwe Boeddha (ontwaakte) kenmerkt zich door het vermijden van extremen en een focus op het ontwikkelen van mededogen en wijsheid. In zijn allereerste toespraak - de dhammacakkappavattana sutta of de Toespraak over het in Beweging zetten van het Wiel van de Leer - benoemt de Boeddha direct de twee extremen en de Middenweg:

"Monniken, deze twee extremen dient een thuisloze niet te praktiseren. Welke twee? Er is het nastreven van geluk in zintuiglijk genot, hetgeen laag, vulgair, ordinair en onedel is en niet tot welzijn leidt; en er is het nastreven van zelfpijniging, hetgeen pijnlijk en onedel is en niet tot welzijn leidt. De Volledig Verlichtte is, deze beide extremen vermijdend, ontwaakt aan de Middenweg die visie en kennis oplevert, en tot kalmte, directe kennis, ontwaking en Nibbāna leidt.

En wat is die Middenweg die visie en kennis oplevert, en tot kalmte, directe kennis, ontwaking en Nibbāna leidt? Het is dit Edele Achtvoudige Pad, namelijk: juiste visie, juist voornemen, juiste spraak, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste aandacht en juiste concentratie. Dat, monniken, is de Middenweg die visie en kennis oplevert, en tot kalmte, directe kennis, ontwaking en Nibbāna leidt."

Nibbāna betekent Verlichting. Deze toespraak hield de Boeddha tegenover vijf andere asceten met wie hij bekend was. Deze hadden hem eerst afgeschreven omdat hij afscheid had genomen van het hele strikte ascetisme. Zij werden direct zijn volgelingen. De Boeddha zou vijfenveertig jaar lang door India en Nepal trekken en overal zijn Leer en zijn Discipline verkondigen.

De Boeddha wordt door boeddhisten vereerd als een groot leraar, degene die de Dhamma opnieuw ontdekte en op effectieve manier wist te onderwijzen aan anderen. Dit maakt hem tot een 'ware' of echte boeddha. Nadat een echte boeddha verschenen is kunnen mensen weer de Verlichting vinden. Wie Verlicht wordt onder de leer van een bekende boeddha wordt een arahant genoemd. Die boeddha en de leer zullen uiteindelijk vergeten worden, zo wordt geloofd, waarna er na een hele lange tijd weer een nieuwe echte boeddha opstaat. Het is mogelijk om zelfstandig Verlicht te worden zonder dat je weet hebt van een boeddha maar zonder dat je je inzichten kan delen. Je bent dan een paccekaboeddha, een stille boeddha.

Het is uiterst belangrijk dat de Boeddha een mens was (in zijn laatste leven dan toch). Het wemelt van de goden in de traditie en goden kunnen altijd van alles. De wonderen die zij verrichten zijn, gek genoeg, niet zo bijzonder. Dat een echte mens definitief afscheid kon nemen van alle mogelijk lijden en de Verlichting bereikte betekent in ieder geval één ding: wij kunnen dit ook! Als we buigen voor zo'n beeld, vaak genoeg flink groot en met goud bedekt, dan buigen we voor de Verheven Leraar zelf maar zeker ook voor het potentiaal in iedere mens om hetzelfde te doen. Er is uiteindelijk geen essentieel verschil tussen ons. Goden zijn hiertoe niet in staat. Zij lijden hun lange levens, afhankelijk van hun precieze status soms enorm gelukkig of tevreden, maar dan eindigt ook hun leven en vindt er weer wedergeboorte plaats. Alleen mensen kunnen hier een einde aan maken.

Tijdens het leven van de Boeddha waren er geen standbeelden van hem; mensen zijn niet begonnen met buigen naar dingen tot een eind na zijn dood. Het woord boeddhisme bestond nog niet. De Boeddha zelf sprak vaak van 'dhamma-vinaya' of 'de Leer en de Discipline'. Boeddhabeelden verschenen pas nadat de cultus van Apollo welbekend was in Gundhara en westelijk India. De dynastie van de Seleuciden had zoveel invloed dat de beeltenissen van Apollo niet alleen aanleiding waren voor de zich bedreigd voelende boeddhisten maar zelfs model stond voor uiterlijk en design. Zeker is dat verschillende teksten van keizer Asoka zijn aangetroffen met een Griekse vertaling, klaarblijkelijk bedoeld voor de lokale bevolking. De leerlingen van de Boeddha vroegen hem aan het eind van zijn leven een opvolger aan te wijzen en hij weigerde dat. Hij verwees naar opnieuw naar de Leer. Blijf die bestuderen en oefenen en je bent op de goede weg. Hij maakte geen onderscheid tussen koningen, generaals, handelaren, boeren of wie dan ook. Hij onderwees zelfs - oh schande! - vrouwen. Er moet wel bij gezegd worden dat het opnemen van vrouwelijke monniken in de Orde pas na flink smeken werd toegestaan, hoewel een andere tekst dit weer tegen lijkt te spreken - de wijding van Bhaddā (therīgāthā 5.9). Zie Sangha.

De Boeddha als mens

In de Pāḷi canon wordt de Boeddha als mens voorgesteld. Weliswaar met bijzondere eigenschappen. Zaken zoals helderziendheid, helderhorendheid, het kennen van vorige levens e.d. zijn echter niet het alleenrecht van de Boeddha, komen niet door een ‘goddelijke’ natuur, maar zijn haalbaar voor ieder die de verlichting, het ontwaken bereikt (Samyutta Nikaya 51.11 en 51.22). Dat de Boeddha in de Pāḷi canon als een mens van vlees en bloed wordt voorgesteld strekt de samenstellers tot eer. Zij hadden er evengoed voor kunnen kiezen (zoals in latere stromingen gebeurt) om de Verhevene te idealiseren, zijn menselijkheid te verdoezelen.

In de Pāḷi-Canon (DN 4) beschrijft de brahmaan Sonadanda de Boeddha als volgt: “De asceet Gotama is knap, ziet er goed uit, wekt vertrouwen, is begiftigd met de hoogste schoonheid van gelaatstrekken, zier er uit als een god, is imposant als Brahma, niet klein van verschijning. ** De asceet Gotama heeft een mooie stem, een prettige manier van spreken; hij is in het bezit van een beschaafd, gearticuleerd, sonoor stemgeluid; hij is in staat dingen goed uit te leggen.”

Bij zijn tijdgenoten viel niet enkel de uitstraling en welbespraaktheid van de Boeddha op maar ook zijn lichaamslengte en lichte huidskleur. Na een discussie met de jaina leek Saccaka Aggivessana (MN 36) stelt deze vast dat de huidskleur van de Boeddha licht was gebleven. Zijn gezicht was dus niet rood aangelopen door de heftige discussie. Deze uitlating is niet alleen een loftuiting op de kalmte en zelfzekerheid van de Boeddha, maar ook een compliment over zijn afstamming. Historisch gegroeid bestond de groep der intellectuelen (brahmanen, krijgers en handelaars) in de tijd van de Boeddha hoofdzakelijk uit nakomelingen van blanke Indo-arische immigranten en hun lichte huidskleur was een aanduiding van een betere sociale afkomst (kaste = vanna = lett. kleur).

Soms wordt de Boeddha voorgesteld als een sociaal hervormer, die tegen het kastensysteem en de onrechtvaardigheid ervan inging. Hoewel hij de goddelijke oorsprong van de brahmanen bestreed - de Boeddha weerlegde de bewering dat elke brahmaan uit de mond van de god Brahma wordt geboren door te wijzen op de vele zwangere brahmaanse vrouwen (DN 27) - was hij er toch van overtuigd dat de kasten bepaald worden door de natuurwet van kamma en wedergeboorte.

Dat de Boeddha een gewoon mens was impliceert dat hij een lichaam had dat onderhevig was aan ziekte, ouderdom en dood. Ook dit vinden we in de Pāḷi-canon terug.

In de Mahavagga Vinaya (Mv 8.1.30 en Mv 6.17.1) wordt verteld hoe de Boeddha bij zichzelf een – bij bedelmonniken bijna onvermijdelijke – maag-darmkanaal infectie behandelt door het drinken van heet water met melasse, het nemen van laxeermiddelen en het eten van gortepap.

In de Sekha-Sutta (MN 53) lezen we dan weer:
“Eens verbleef de Verhevene in Kapilavatthu, in het park van Nigrodha. () Daar onderrichtte hij de Sakya’s tot diep in de nacht met een Dhamma toespraak en hij wekte hen op, inspireerde hen en verblijdde hen.
Daarop richtte hij zich tot de eerwaarde Ananda: ‘Ananda, laat tegenover de Sakya’s je licht schijnen over de leerling die op weg is.
Mijn rug doet pijn, ik ga me uitstrekken.’
‘Goed, Heer’, antwoordde de eerwaarde Ananda hem instemmend. Toen vouwde de Verhevene zijn mantel in vieren en legde zich op zijn rechterzijde in leeuwenhouding neer, waarbij hij zijn ene voet op de andere legde en zich aandachtig en volbewust een moment inprentte om weer op te staan.”
()

Hetzelfde thema vinden we terug in de Sangiti Sutta (DN 33):
(…) “Sariputta,de monniksschare is nog steeds vrij van sloomheid en traagheid. Laat je inspireren tot een Dhamma-preek tot de monniken. Mijn rug doet pijn. Ik wil hem strekken. (…)

In de Jara-Sutta (SN 48.41) wordt verteld hoe de Boeddha met zijn pijnlijke rug in de warme zon zittend, beschouwingen houdt over het verval van het lichaam bij ouderdom, terwijl Ananda zijn benen masseert.  Waarschijnlijk ging het om een geval van hernia. Warmte deed zijn zieke rug goed, hetgeen de Verhevene ertoe bracht om op latere leeftijd regelmatig in Rajagaha te verblijven, waar hij in de daar aanwezige hete bronnen kon baden. Kort voor zijn overlijden merkte de Boeddha nog over zijn lichaam op:

“Ik ben nu oud, bejaard, een oude man; ik ben op jaren en heb een respectabele leeftijd bereikt; ik ben tachtig jaar. Zoals men een oude wagen gaande houdt door hem met banden bijeen te binden, evenzo, Ananda, wordt het lichaam van de Voleindigde gaande gehouden door het als het ware met banden bijeen te binden.
Alleen wanneer de Voleindigde door de aandacht af te wenden van alle verschijnselen en door bepaalde gevoelens te laten ophouden de van verschijnselen vrije concentratie van de geest bereikt en daarin verblijft, ervaart het lichaam van de Voleindigde comfort.”
(DN 16)

Ook wat zijn overlijden betreft wordt de Boeddha in de Pāḷi-Canon zeer menselijk voorgesteld. Was het nu door een voedselvergiftiging of -meer waarschijnlijk- een bij ouderen frequent voorkomende en fatale ontsteking van de dunne darm; de Verhevene leed de laatste dagen van zijn leven aan hevige kolieken en bloederige diarree. In de mahaparinibbāna sutta (DN 16) wordt verteld hoe een man, Pukkusa genaamd, bij het zien van het door diarree besmeurde gewaad van de naast de weg liggende Boeddha, uit medelijden zijn bedienden om twee gewaden stuurt. Eén voor de Boeddha en één voor ānanda. In Kusinara aangekomen besefte de Verhevene dat dit zijn laatste rustplaats zou worden. In het Upavatthana bos ging hij, misschien door de hevige krampen, op zijn rechter zijde liggen. Met heldere geest instrueerde hij ānanda betreffende zijn uitvaart en na zijn monniken nog één maal de kans gegeven te hebben om vragen te stellen sprak hij zijn laatste woorden: “Welaan dan, monniken, ik zeg jullie, wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig; streeft niet aflatend naar het onvergankelijke, het nibbana!” (Zie voor meer uitleg over deze laatste uitspraak het lemma meditatie.)  Daarop viel hij in een coma, dat Anuruddha aan de monniken uitlegde als een diepe meditatietoestand en zonder weer tot bewustzijn te komen, ging de tachtigjarige het parinibbāna binnen, de toestand van bevrijding van het lijden na het afleggen van het lichaam.

De Boeddha is het eerste deel van het Drievuldig Juweel (tiratana). De eigenschappen van de Boeddha zijn vastgelegd in de tipiṭaka .

Itipi so bhagavā arahaṃ:
sammā sambuddho,
vijjā caraṇa sampanno,
sugato,
lokavidū,
anuttaro purisadamma sārathi,
satthā deva-manussānaṃ,
buddho,
bhagavā ti.

Aldus is de Verhevene, de Verloste:
compleet en zelf verlicht,
perfect in kennis en gedrag,
die het wel vergaat,
een kenner van de Werelden,
onovertroffen trainer van hen die volgzaam zijn,
leraar van hemelwezens en mensen.
Hij is de Ontwaakte,
de Verhevene.