Kamma
Kamma (karma in het Sanskriet) is oorspronkelijk het Pāli woord voor actie of handeling. In de boeddhistische canon, de tipiṭaka, wordt het op een vrij specifieke wijze gebruikt voor wilshandeling. De boeddhistische kijk op kamma is afwijkend van de manier waarop in onze huidige cultuur over karma wordt gedacht. Het gaat niet om straf voor slechte dingen of misstappen. Het is geen puntensysteem zoals op Reddit. Het is ook niet één score die hoog of laag, of zelfs negatief, kan zijn.
Kamma verwijst naar de onwrikbare wet van oorzaak en gevolg. Stel dat een moeder een kind zegt dat het niet met lucifers mag spelen omdat dit gevaarlijk is. Als het kind dat toch doet en wordt betrapt dan krijgt het straf. Als het kind het toch doet en een brandwond oploopt dan is dat geen straf maar een gevolg. De Boeddha stelt dat elke wilshandeling mentale gevolgen heeft. Er zijn uiteraard ook fysieke gevolgen. Ook iets bewust juist niet doen is een wilshandeling. Onwillekeurige of onbewuste daden leveren geen kamma op. Per ongeluk op een mier gaan staan of tijdens het fietsen een vliegje tegen je gezicht aan krijgen is weliswaar het doden van een levend wezen maar het valt niet onder de wet van kamma.
Kamma ontstaat als zaad, rijpt een keer en levert een 'vrucht' (phala) op. Wanneer dit gebeurt hangt af van de onontwarbare kluwen aan oorzaken en gevolgen die er nu eenmaal is. Het zijn de vruchten die invloed hebben op het leven. Die vruchten verschijnen heel snel, later, veel later, in een volgend leven of pas na aeonen. (Een aeon is een verschrikkelijk lange periode, denk aan miljoenen of miljarden jaren.)
Er is donkere kamma, lichte kamma en én-donkere-én-lichte kamma. De derde variant is eigenlijk een combinatie van de eerste twee. Wat kamma donker of licht maakt is vanzelfsprekend de wilshandeling zelf maar vooral ook zeker de intentie erachter.
Onze (bewuste) daden hebben dus hoe dan ook een keer gevolgen. Nu ondervinden we gevolgen van vroeger. Gelukkig zijn we vrij in hoe we omgaan met onze omstandigheden. Ook dat levert weer nieuwe kamma op, lichte als we dit kundig doen. Door een positieve houding boren we onze lichte kamma ook meer aan en helpen die te rijpen en tot vrucht te komen. Als we positieve dingen doen dan kunnen we ons omringd weten door onze goede daden en er zelfs door beschermd. Zie de Leringen om vaak te overdenken.
Kamma goed begrijpen komt overeen met de 'wereldse' vorm van Volkomen Inzicht. De standaardformulering van het doorgronden van kamma staat in de Leringen om Vaak te Overdenken.
Het kastesysteem
Bij zijn tijdgenoten viel niet enkel de uitstraling en welbespraaktheid
van de Boeddha op maar ook zijn lichaamslengte en lichte huidskleur.
Na een discussie met de jaina leek Saccaka Aggivessana (MN 36) stelt
deze vast dat de huidskleur van de Boeddha licht was gebleven. Zijn
gezicht was dus niet rood aangelopen door de heftige discussie. Deze
uitlating is niet alleen een lofuiting op de kalmte en zelfzekerheid van
de Boeddha, maar ook een compliment over zijn afstamming.
Historisch gegroeid bestond de groep der intellectuelen (brahmanen,
krijgers en handelaars) in de tijd van de Boeddha hoofdzakelijk uit
nakomelingen van blanke Indo-arische immigranten en hun lichte
huidskleur was een aanduiding van een betere sociale afkomst
(kaste = vanna = lett. kleur).
Soms wordt de Boeddha voorgesteld als een sociaal hervormer, die tegen het kastensysteem en de onrechtvaardigheid ervan inging. Hoewel hij de goddelijke oorsprong van de brahmanen bestreed - de Boeddha weerlegde de bewering dat elke brahmaan uit de mond van de god Brahma wordt geboren door te wijzen op de vele zwangere brahmaanse vrouwen (DN 27) - was hij er toch van overtuigd dat de kasten bepaald worden door de natuurwet van karma en wedergeboorte:
“De wezens zijn de eigenaars van hun daden, zijn de erfgenamen van hun daden, komen voort uit hun daden, zijn gebonden aan hun daden, hebben hun daden als hun toevlucht. Het zijn hun daden die wezens onderscheiden in laagstaanden en hoogstaanden.” (MN 135) - Zie vooral ook de Leringen om vaak te overdenken.
Sociale ongelijkheid is dus een resultaat van vroegere daden, net zoals heel veel - niet alles! - dat is. Bovendien werd het kastensysteem, ten tijde van de Boeddha, niet als benauwend ervaren. De kasten(vanna) en sub-kasten (jati) vertegenwoordigden meer een beroepshiërarchie die uit de arbeidsverdeling voortkwam. De mensen werden erdoor gecategoriseerd naar de aard van hun beroep en de jongemannen werden erdoor aangespoord het beroep van hun vader op te nemen en binnen de kaste te huwen maar niemand was verplicht het beroep van de vader uit te oefenen of binnen de kaste te trouwen. Ook voor diegenen die behoorden tot de laagste kasten was het niet onmogelijk om op de sociale ladder te stijgen en, zo niet voor zichzelf, dan toch voor hun nakomelingen de erkenning als lid van een hogere kaste te bewerkstelligen. Van de onverbiddelijkheid die het kastensysteem later aannam en van de wreedheid om degenen die vuil werk deden als onaanraakbaar uit de maatschappij te verbannen, was er in de tijd van de Boeddha nog geen sprake. De Boeddha verzette zich niet tegen het kastensysteem op zich, maar tegen de foutieve geesteshouding van de mensen tegenover degenen die tot een andere kaste behoorden. Zijn bezwaar richtte zich tegen het superioriteitsgevoel van de brahmanen en tegen de opinie dat het behoren tot een bepaalde kaste iets over de waarde van de persoon zei.
Op een vraag van koning Pasenadi in verband met het onderscheid tussen de verschillende kasten, antwoordt de Boeddha met een vergelijking:
“Er is, op het punt van bevrijding, geen enkel verschil tussen de
standen. Het is te vergelijken met een man die met droog sakahout een
vuur ontsteekt, hitte produceert. Een andere man ontsteekt een vuur met
droog damarhout en produceert zo hitte. Nog een andere man doet dat met
mangohout, weer een andere man met vijgenhout.
Wat denkt u, majesteit, zou er tussen deze vuren, die met verschillende
soorten hout ontstoken zijn, enig verschil bestaan?”
“Zeker niet, Heer.”
“Net zo, majesteit, bestaat er, als er
[<i style="box-sizing: border-box; margin: 0px; padding: 0px; border: 0px; font-size: 15.4px; vertical-align: baseline; background: transparent;">innerlijk</i>] vuur door energie wordt teweeggebracht, door streven geproduceerd wordt, geen enkel verschil op het punt van bevrijding.” (MN 90)
Maar de Boeddha deed wel een slimme zet. Hij ging langs de ene kant in tegen het brahmaanse afstammingssnobisme, maar langs de andere kant erkende hij de spiritualiteit van de kaste der brahmanen door het begrip ‘brahmaan’ tot een ethisch begrip om te vormen. Hij verklaarde meermaals dat men geen brahmaan door geboorte is, maar door waardig optreden en ethisch hoogstaand gedrag. Wat ook iemands kaste is, ieder die de noodzakelijke zelfdiscipline bezit, kan men als brahmaan aanduiden.
Udana I.5:
Aldus heb ik gehoord.
Eens verbleef de Verhevene in Savatthi, in het Jetavana, het park van
Anathapindika. In die tijd gingen de eerwaarden Sariputta,
Maha-Moggallana, Maha-Kassapa, Maha-Kaccana, Maha-Kotthita, Maha-Kappin,
Maha-Cunda, Anuruddha, Revata, Devadatta en Ananda [ allen afkomstig
uit verschillende kasten ] naar de Verhevene toe.
De Verhevene zag die eerwaarden van verre aankomen en richtte zich tot
de aanwezige monniken: “Dit, monniken, zijn brahmanen die daar
aankomen! Dit zijn brahmanen die daar aankomen!”
Na die woorden zei een monnik die van brahmaanse afkomst was, het
volgende tot de Verhevene: “Wanneer, Heer, is men een brahmaan en wat
zijn de eigenschappen die iemand tot een brahmaan maken?”
Toen dan, toen de Verhevene de betekenis hiervan doorgrondde, welde er
op dat moment spontaan deze uitspraak in hem op:
Zij die slechte geestestoestanden weren
en die altijd vol van aandacht leven;
ontwaakten die de ketenen geslaakt hebben;
zij waarlijk zijn brahmanen in de wereld.”
Zie Wedergeboorte.
Zie verder het achtergrondartikel 'De centrale rol van de brahmavihāra'.
Zie ook het uitstekende artikel over kamma en wedergeboorte van Vrienden van het Boeddhisme.