Ontwikkeling boeddhisme en stromingen
De ontwikkeling en hoofdstromingen
Het oude, pre-sektarische, boeddhisme is volkomen verdwenen. De theravāda (leer van de ouden) wordt vaak gezien als de oudste stroming, vooral door de eigen aanhangers. Er zijn goede redenen om dit te geloven, gezien de thematische ontwikkeling van theravāda naar mahāyāna (grote voertuig). Mahāyāna boeddhisme wordt door velen gezien als een zuiverder leer. Theravādin zijn uiteraard het omgekeerde van mening. Deze stroming is op bepaalde manieren jonger maar de oudste nog bekende sutra is een mahāyāna sutra. Waar theravāda uit een hindoe-achtergrond komt van voornamelijk de Upanishaden, vertoont mahāyāna flinke (latere) invloeden van de Vedische en Vedanta geschriften. Van oudsher was – en is! – India een syncretistisch land waarin op heterodoxie wordt gereageerd met assimilatie veel eerder dan met repressie. Ook de theravāda canon vertoont flink wat discussie en polemiek tegen verschillende groepen asceten, de Jaïn en zeker de Brahmanen komen er niet best vanaf. De mahāyāna canon verhoogt de polemiek behoorlijk maar richt zich op discussies met veelal andere stromingen. Traditioneel gezien vervangen in de Indische religie nieuwe leringen niet oudere maar staan ernaast of er bovenop.
Kortweg worden theravāda, mahāyāna, vajrayana en zen onderscheiden. De laatste twee komen echter voort uit en zijn dus onderdeel van mahāyāna. De stromingen zijn echter zo groot geworden en zo verschillend van elkaar dat ze vrijwel altijd apart worden benoemd. Toen mahāyāna boeddhisme Tibet bereikte, ontmoette het daar het inheemse Bon. Het gevolg is vajrayana (diamanten voertuig). In China ontmoette het flinke weerstand van het daar populaire confucianisme maar in Japan ontstond Zen uit een synthese met Shinto-ideeën. Een relatief vroege toevoeging uit India is het Pure Land boeddhisme, wat zich richt op de boeddha Amitābha. Door zijn naam te reciteren – een vorm van mindfulness beoefenen – of een kort vers of bepaalde visualisaties te doen zou wedergeboorte in het Pure Land bewerkstelligd worden. Over het algemeen hebben boeddhisten in Azië geen moeite met het offeren aan hindoe goden zoals Brahmā. Een overzicht als dit kan niet anders dan te kort zijn en veel laten vallen.
Hīnayāna, tenslotte, is hoe theravāda vaak wordt genoemd door de aanhangers van de mahāyāna. Waar mahāyāna het grote voertuig is, is hīnayāna dan het kleine voertuig. Theravādin zelf vinden dit vaak niet prettig. Het woord mahā betekent inderdaad groot maar dan zou je cula verwachten voor klein. Er zijn meerdere Pāli suttas bekend in mahā en cula varianten. Hīna is een min of meer lelijk woord dat wijst op minder of lager zijn (denk aan het kaste-systeem) of aan ‘niet voldoen’ zoals in niet voldoen aan de eisen of aan de leer. Het is een polemische term die om die reden inderdaad beter niet gebruikt wordt.
Door de eeuwen heen is het boeddhisme zeer divers geworden, zelfs zo divers dat stromingen soms moeite moeten doen elkaar nog als boeddhistisch te herkennen. We kunnen rustig van 'boeddhismes' spreken zonder de werkelijkheid echt geweld aan te doen. Zoals eerder gezegd is het, zoals de hele Indische achtergrond, van nature syncretistisch: gelovigen hebben nooit geschroomd te lenen van andere tradities. Heterodoxie was en is nog steeds de normaal. Azië als geheel is diepgaand beïnvloed door het boeddhisme maar van plek tot plek nam die invloed andere, some radicaal andere, vormen aan. Het is daarom dat we een verzameling aan verschillende boeddhismes hebben, elk met een eigen jargon en zelfs eigen basistaal. Er zijn vele misverstanden geweest, binnen en buiten de religie.
De kern
Wat is nu de essentie van het boeddhisme? Enerzijds is er het leerstuk anicca, dat ons wijst op de voortdurende verandering van alles, anderzijds was de Boeddha met regelmaat bijzonder scherp op 'verkeerde visie' en de juiste leer, de Dhamma. Het is wel weer zo dat de Dhamma intrinsiek nooit gelijk kan zijn aan een stuk tekst, het is een levende Leer die opkomt in de geest, van binnenuit wordt gerealiseerd, bij voldoende juiste oefening. Het is typisch voor het boeddhisme om dit soort enerzijds-anderzijds kwesties te hebben. We kunnen natuurlijk opmerken dat de ene mens deze oefening nodig heeft en een ander juist weer een verschillende manier van oefening. Zolang beide manieren voor de afzonderlijke individuen leiden tot realisatie is er niks aan de hand.
In zijn boek Going for Refuge beschrijft Sangharakshita na eerst het bodhisatta-ideaal als centrale samenbindende factor te hebben gezien uiteindelijk het voor Toevlucht gaan is (naar het Drievuldig Juweel). Het is een fundamentele boeddhistische handeling die universeel is en biedt ons zo een manier, een hermeneutiek, om andere boeddhisten te begrijpen. Eén van de voorbeelden die hij gebruikt is die van de Pure Land-boeddhisten, die geloven dat geen eigen vermogen ooit tot Verlichting zal leiden maar dat zij moeten vertrouwen op 'Ander-kracht' in de vorm van de geloftes van Amitābha. Amitābha, ook wel bekend als Amida or Amitāyus, is volgens de gelovigen één van de heiligen van het Westelijke Paradijs en is ook een boeddha. Hun houding, vooral wat betreft Ander-kracht verschilt nogal van die van andere boeddhistische stromingen. Is dat aanroepen van die naam niet gewoon een soort theïsme? Als we echter het aanroepen van de naam van Amitābha zien als een vorm van mindfulness of meditatie dan kunnen we die begrijpen op dezelfde manier als die van de Pāḷi eigenschappen van de Boeddha dan is het alweer wat anders. Het is ook een uitstekende manier omheilzame staten van geest op te roepen of in elk geval de onheilzame op een afstand te houden. Als we het begrijpen als voor Toevlucht gaan naar de Boeddha in zijn aspect Amitābha, dan is er niks aan de hand. Deze boeddhisten ontwikkelen hun vertrouwen in de geloftes van Amitābha om alle wezens te redden van het lijden.
Door de jaren heen zijn er verschillende tekstenverzamelingen ontstaan en de interpretaties stapelden zich op. Eerdere versies van de Dhamma werden niet weggegooid maar op een lager niveau geplaatst. De typische neiging was om een hiërarchie van leringen op te zetten, zelfs al in het vroege boeddhisme. Het is hierdoor dat mahāyāna-boeddhisten vrolijk van mening kunnen zijn dat zij de zuiverder leer aanhangen terwijl hun teksten soms eeuwen jonger zijn. Tegen het tweede milennium van de huidige jaartelling was de piramide aan leringen onhandig en ingewikkeld geworden. Maar hoe moesten we anders begrijpen hoe het allemaal zat als teksten elkaar tegenspreken en zich soms verweerden tegen eerdere vormen van boeddhisme? Wederom kan Sangharakshita's idee ons helpen. Als we de hele ontwikkeling zien als een voortdurend wijzigende vorm van gaan voor Toevlucht naar de Boeddha.. dan hoeven we geen vertical hiërarchie te ontwerpen en we hoeven elkaar niet de maat te nemen.
Er is geen nieuwere vorm van boeddhisme - en vajrayana uit de 4e eeuw van de jaartelling is in dit perspectief behoorlijk nieuw - die daadwerkelijk uitstijgt boven de eerdere vormen op hun toppunt. Sommige vormen zijn wel beter geschikt voor sommige mensen. Historisch gezien is zeker theravāda door periodes gegaan waarin het niet tot nauwelijks beantwoordde aan de vragen en behoeftes van leken. Zelfs de monniken leken eerder werktuigelijk te werk te gaan dan steeds strevend naar de Verlichting. Het is dan niet verbazingwekkend dat er nieuwe vormen ontstonden die wel gesnapt werden door de gelovigen van andere tijden en plaatsen. Ook de ontmoeting met andere lokale religies had gevolgen. Machthebbers hadden er soms veel voordeel aan om een nieuwe religie te gebruiken bij het benadrukken van hun vorstelijke status en het boeddhisme werd daar zonder meer voor ingezet. Toen de beelden van Apollo verschenen in het westen van India begonnen, naar het schijnt, boeddhisten ook beelden te bouwen. Het buigen voor een boeddhabeeld, ook voor theravādin, is eigenlijk een nieuw gebruik dat in het pre-sectarische boeddhisme waarschijnlijk vreemd gevonden zou zijn en zou zijn afgewezen.
Nu en straks
Sinds een kleine eeuw is er flinke interesse in het Westen, in West-Europa en in Amerika. Ook dit levert weer nieuwe vormen van boeddhisme op en dan vooral vormen die het doen zonder nauwe verbintenis met een lokale tempel en monniken, want die zijn er bijna nooit. Westerlingen mediteren enorm veel vergeleken met Aziatische boeddhisten, want waarschijnlijk een positieve ontwikkeling is die in Azië wel eens nagedaan zou mogen worden, tenminste als de meditatie-opleiding en -begeleiding goed gebeurt. Tegelijk kunnen Westerlingen veel leren van de in Azië nog steeds veel beleefde boeddhistische waardes van vrijgevigheid en devotie.