sahāyadhammamitta

Toevlucht
Login

namo tassa bhagavato arahato sammāsaṃbuddhassa.

Toevlucht nemen

De Drie Kenmerken

Deze kenmerken of 'Drie Karakteristieken van Bestaan' beschrijven kort en bondig het karakter of de natuur van alle zaken. Zoals gewoonlijk met puntig omschreven ideeën in de tipiṭaka ligt er flink wat betekenis verscholen achter de dichterlijke woorden. Het is opvallend dat de eerste twee Kenmerken van veranderlijkheid, onbestendigheid en leedvolheid verwijzen naar saṅkhārā of geconditioneerde dingen en het kenmerk van niet-zelf verwijst naar dhammā, fenomenen. Het verschil zit 'm erin dat saṅkhārā gezien kunnen worden als drijfveren ten opzichte van de dhammā, die de bredere categorie vormen van alle 'objecten' die het bewustzijn raken. Het gaat in beide gevallen nooit om een Ding an Sich maar om een ervaren werkelijkheid.

We beseffen dat alles waar wij in onze geest een naam aan kunnen geven geen bestendige, onveranderlijke werkelijkheid beschrijft. We beseffen dat de omgang ermee leedvol is en dat denken in substanties eerder dan in functionaliteiten berust op een verkeerd begrip van de werkelijkheid. Dit is het begin van de verlossing. Het woord leedvol verwijst in dit geval naar dukkha: onbevredigend, niet tevreden stellend, en daarom uiteindelijk een bron van leed, lijden. Klassiek gezien worden de Drie (mentale) Vergiften genoemd als begeerte (lobha), haat of afkeer (dosa) en waandenken (moha). Het is echter verblinding of denken-in-wanen die de basis vormt onder de andere twee. Zonder verblinding - sammoso, verblinding/verwarring - geen begeerte of haat. Zonder verstrikking in de ideeënwereld waarin zaken bestendig zijn en bij een ik horen geen leedvol gedrag of denken.

Ajahn Chah zei vaak dat alle spirituele groei begint met Volkomen Visie en moreel gedrag. Volkomen visie, op de wereldse manier, betekent dat je een goede kaart van de mentale wereld hebt en van de werking van kamma in het bijzonder. Het houdt ook in dat je de Kenmerken overal ziet zodat elke gedachte, elk gevoel en elke handeling voer worden voor de oefening, voor het opdoen van meer inzicht. Moreel gedrag komt voort uit inzicht in de mentale wereld en versterkt dit andersom. Volkomen visie wordt formeel in de sutta's gedefinieerd als een volkomen begrip van de Vier Nobele Waarheden, die van het lijden, het ontstaan van lijden, de beëindiging van lijden en het Pad naar de beëindiging van lijden. Het is juist de tweede Edele Waarheid die nader is toegelicht in de Drie Kenmerken; de Boeddha verklaarde hoe dit dan werkt.

Het is een internetwijsheid dat de Boeddha gezegd zou hebben dat "Alles is lijden." Dat is niet waar en het is zelfs een schadelijke gedachte. Eerder zijn alle geconditioneerde dingen, of alle drijfveren, leedvol. Zij leiden niet tot volkomen en bestendig geluk. Dit lijkt een waarheid als een koe maar het is moeilijk om dit werkelijk in te zien. Voorbeelden helpen. Als kind vond je de zomervakantie misschien perfect en geweldig, één grote bonk geluk. Wie weet was dat ook wel zo. Tot de school weer begon. Alles maar dan ook echt werkelijk alles stelt een keer teleur, zelfs al was het maar omdat je leven eindig is. Niets maar dan ook niets kun je echt op leunen voor volkomen en bestendig geluk. Er is altijd wel een randje van stress, onvolkomenheid te ontdekken of iets wat niet tot tevredenheid stelt.

Dukkha is een vreselijk breed begrip. Als we ons een mens voorstellen die alles verloren heeft, veel pijn lijdt en weet spoedig te sterven terwijl er nog zoveel ruzie uit te spreken zou zijn.. dan is dat dukkha. Dukkha is echter ook het minieme smetje dat aanwezig is in zelfs de meest diepe stadia van meditatie, de jhāna's. Er is wel eens gezegd dat als ons woord lijden staat voor felrood, als van een brandweerauto, dan is dukkha het hele concept kleur. Het is andersom redelijk te benaderen door het te zien als de afwezigheid van complete en totale sukha, welbevinden. Het Boeddhistisch woordenboek stelt dat dukkha is "onvoldaanheid, gefrustreerdheid, ontevredenheid, onbevredigendheid. Het is leed veroorzaakt door onvolkomenheid, onvoldaanheid. Het Pali-woord dukkha betekent niet alleen lichamelijk lijden, maar houdt ook in de frustratie, het geestelijk leed dat veroorzaakt wordt door het feit dat alles hier op aarde onvoldaan is, onvolmaakt. Er is weliswaar vreugde en geluk, maar dat is slechts tijdelijk. En juist dat tijdelijke, dat onvolmaakte is oorzaak voor leed, frustratie. Dat wordt onder dukkha, lijden verstaan." Het woordenboek gaat er echter aan voorbij dat dukkha geen naamwoord is maar een bijvoeglijk naamwoord, het geeft een eigenschap of kenmerk aan. Hierop steunt mijn vertaling met 'leedvol'.

De reden voor dukkha wordt door de Boeddha omschreven als taṇhā of begeerte, ook wel 'brandend verlangen'. Er is een belangrijk verschil met chanda of verlangen. Chanda is in principe neutraal. Er zijn heilzame en onheilzame varianten van. Veel heeft te maken met of je werkt voor een heilzaam doel of dat je je ook hecht aan de uitkomst. Chanda volgt wat kleuring betreft de intentie erachter. Als die heilzaam is dan is de chanda ook heilzaam. De boeddhistische oefening is natuurlijk een perfect voorbeeld. Als je op je meditatiekussen gaat zitten met de gedachte 'nu word ik rustig' dan is dat onheilzame chanda, taṇhā zelfs. Je merkt dat het zich hoe dan ook tegen je keert. Als je dagelijks mediteert omdat je weet dat het goed is om te oefenen en je wacht rustig af in vertrouwen dat je verdienstelijke inspanning wel ergens een keer resultaat zal hebben dan is dat heilzame chanda. Simpeler gezegd: hard werken op school is goed, niet genoegen nemen met alles onder een acht is minder handig.

De Boeddha plaats de oorzaak van het lijden eigenlijk in het lijden zelf. Ook de oplossing - het pad naar het uitdoven van het lijden - bevindt zich binnen het lijden. Vergelijk de volgende verzen uit de Visudhimagga (Pad van Zuivering), de 'grote verhandeling' van Buddhaghosa over de boeddhistische praxis en over de abhidhamma in het bijzonder.

Er is slechts leed, maar geen lijder,
er is geen dader, wel de daad,
uitdoving is er, geen uitgedoofde,
er is geen gaander, wel het pad.
(Vism. 16,19)

Niet bestaat er een dader van het kamma
en niemand in wie het rijpt;
er bewegen zich zuivere 'dhamma's'.
Zo (weet wie het) juist begrijpt.

(Vism. 19,20)

Begeerte als bron van dukkha komt voor in de Bhadraka Sutta (SN 42:11): "Bestuurder, daar moet jij het nu al naar gelang de omstandigheid beschouwen: 'Alles dat aan lijden zich ontwikkelt, dat alles is geworteld in de wil, komt uit de wil, want de wil is de wortel van al het lijden.'" De toespraak is gericht tot Bhadragaka;een hoofdman of bestuurder van Uruvelakappa, een stad van de Mallas. Met indringende voorbeelden toont de Boeddha hoe lijden ontstaat naar aanleiding van het verlies van dierbaren.

Meer in het Piyajātika Sutta (MN 87), het Devadaha Sutta (MN 101), het Ekaputta Sutta (Ud. 2.7) en het Visākhā Sutta (Ud. 8.8). De voorbeelden zijn soms spijkerhard en schrijnend. (Ekaputta betekent 'enige zoon'!) Steeds weer komt het beeld naar voren van iemand die zich hecht aan een partner of een kind alsof die 'van mij' is, die verliest en dan verdriet heeft. De Boeddha was een uitstekend psycholoog maar niet altijd een beste therapeut zoals wij dat nu zien: hij wijst aan waar het lijden vandaan komt en verwacht dat je de juiste conclusies trekt. In Azië en zeker in zijn eigen tijd zal dit zeker beter opgevat zijn.

De Vijf Morele Praktijken en hun achtergrond

pañca sīla

pānātipātā veramaṇī sikkhāpadaṃ samādiyāmi. - Niet te doden of te doen doden, deze leefregel zal ik volgen.

adinnādānā veramaṇī sikkhāpadaṃ samādiyāmi. - Niet te nemen wat mij niet gegeven is, deze leefregel zal ik volgen.

kāmesu micchācārā veramaṇī sikkhāpadaṃ samādiyāmi. - Mij niet seksueel te misdragen, deze leefregel zal ik volgen.

musāvādā veramaṇī sikkhāpadaṃ samādiyāmi. - Geen onwaarheid te spreken, deze leefregel zal ik volgen.

surā meraya majja pamādaṭṭhānā veramaṇī sikkhāpadaṃ samādiyāmi. Bedwelmende middelen, die onachtzaamheid veroorzaken, niet tot mij te nemen, deze leefregel zal ik volgen.

Er zijn boeken vol geschreven over wat deze trainingsregels precies betekenen. Dit is ruwweg niet bijzonder interessant. Het is expliciet de bedoeling dat je zelf aan de gang gaat met deze regels en zelf uitvindt wat ze betekenen. Anders zou je gewoon een gebod uitvoeren omdat dat moet van de Boeddha. Dit zou de pañcasīla hun betekenis doen verliezen. Je oefent niet meer maar volgt orders op. Het is essentieel verder te begrijpen dat deze regels makkelijk beginnen en zich verdiepen naarmate we er meer mee bezig zijn en verder komen in de oefening. Regel 1 kan gewoon 'niet moorden' betekenen en dat is vrij eenvoudig voor de gemiddelde mens. Persoonlijk ben ik van mening dat het ook op dieren van toepassing is en ik dus geen vlees of vis moet eten. Anderen zijn dat met mij oneens. Dat is helemaal best. Ten eerste hebben wij allemaal onze eigen ontwikkeling, veroorzaakt door condities. Ten tweede is de vraag of iets 'mag' niet heel nuttig. Van wie mag iets wel of niet? De Boeddha? Die gaf zoals eerder opgemerkt expliciet trainingsregels als advies. Het is beter ons af te vragen wat beter is om (niet) te doen. Geleid door mettā zal het helder worden wat de juiste stap is.

De commentaren maken wel duidelijk dat regel 1 ook betrekking heeft op het doden van kleine insecten of “plaagdieren” zoals muizen en ratten, vliegen en muggen en motten e.d. Mieren en slakken kunnen een plaag worden en dan bestreden worden met vergif. Dat is dan niet goed. De directe tekst is er echter niet duidelijk over, wat reden geeft voor de meest levendige discussies. Hoe de Boeddha dacht over het eten van vlees door monniken en door leken, is uitgelegd in het Jīvaka sutta en in het Amagandha sutta, Sn.II.2 (vv. 239-252). Toch is je intentie belangrijk. Vervuld van haat een mug doodslaan levert andere kamma op dan hetzelfde doen na een gemaakt excuus of met spijt in het hart. Doden levert hoe dan ook donkere kamma op maar de zwaarte kan sterk verschillen.

Hoewel het volgens van één regel beter is dan geen en twee regels volgen heilzamer is dan maar een, geldt in het algemeen dat het belangrijk is ze alle vijf te volgens als het even gaat. Ze werken op elkaar in. Het is overigens niet makkelijk de Vijf Morele Praktijken goed op te volgen in het leven van alledag. Zie onder meer Dhp. 246-248.

Er is een fascinerend stuk tekst te vinden in het Abhisanda Sutta (AN 8.39) waarin de acht beloningen van verdienste worden besproken die leiden tot "vaardigheid, voeding van geluk, bovenwerelds geluk, resulterend in geluk, leidend naar de hemel en naar wat is wenselijk, plezierig en aantrekkelijk". De eerste drie zijn het gaan voor Toevlucht tot de Boeddha, de Dhamma en de Sangha. De overige vijf verwijzen naar de pañca sīla.

In het eerste geval geeft een volgeling van de Nobele het doden van levende wezens op. Door zo te handelen geeft hij talloze bewuste wezens het geschenk van vrijheid van angst, vijandschap en kwaadwil. En zij zelf genieten ook onbeperkte vrijheid van angst, vijandigheid en kwaadwil. Dit is de eerste grote gave, oorspronkelijk, langdurig van aard, traditioneel en zeer oud. Dit is de vierde overvloedige beloning van verdienste.

In het tweede geval geeft een volgeling van de Nobele op te nemen wat niet gegeven is. Door zo te handelen.....

Twee dingen vallen op. Hoewel in de Vijf Morele Praktijken nergens staat dat het niet alleen om mensen gaat, beschrijft de Verhandeling over Overvloedige Beloning de gevolgen voor alle bewuste wezens (sattā en niet, bijvoorbeeld, puggalā). Verder zien we dat het doden van dieren duidelijk genoeg onder het bereik van de eerste trainingsregel valt. Vlees dan maar bij de slager halen en niet meer aan denken? Dat is aan ieder om zelf te bepalen. Dan nog zouden we kunnen toevoegen dat de Praktijken een centrale rol innemen en niet zomaar een handig rijtje zijn. Zij leiden tot vrijheid van angst, vijandschap en kwaadwil van maar liefst talloze wezens.

De Verhandeling tot Kesi (de paardentrainer, AN 4.111) bevat een mooie gelijkenis over hoe deze training op te vatten. Het taalgebruik 'onvergelijkbare trainer van trainbaren (mensen in dit geval) is de bron van één van de canonieke eigenschappen van de Boeddha. Zie de vaak gereciteerde buddhanussatigātha (itipiso gātha ook wel) waarin de Boeddha anuttaro purisadamma sārathi wordt genoemd: onvergelijkbare temmer der tembaren. Je hebt milde training, harde training en een combinatie van milde en harde training. Als het met alle drie niet gaat dan kan ook de Boeddha je niet helpen.

Toevlucht nemen tot de Boeddha, de Dhamma en de Sangha brengt bevrijding van het lijden. Zie bijvoorbeeld het verhaal dat hoort bij de Dhammapada verzen 188-192.

De Keten van Voorwaardelijk Ontstaan paticca-samuppāda

Samen met de idee van niet-zelf (anattā) vormt Voorwaardelijk (of Afhankelijk) Ontstaan een onmisbare voorwaarde voor het daadwerkelijk begrijpen en realiseren van de Leer van de Boeddha. De andere twee doctrines die traditioneel gezien worden als onmisbaar zijn de Vier Nobele Waarheden en het Nobele Achtvoudige Pad. Voorwaardelijke Ontstaan staat voor het voorwaardelijke en onderling afhankelijke karakter van de ononderbroken veranderende stroom van fysieke en psychische fenomenen die wij namen geven als 'het ego', 'een boom', 'een kind' en zo voort. Kortom, zodra wij de werkelijkheid in stukjes beginnen te hakken gaat er iets mis, gaat er werkelijk begrip verloren. Dat we het toch doen hoort bij het menselijk leven; hoe zouden we anders moeten communiceren of begrijpen? De Dhamma leert ons echter de betrekkelijkheid inzien van alles wat wij een naam geven.

De idee van niet-zelf (anattā) wordt opgebouwd door het geheel (van de menselijke geest) op allerlei manieren op te splitsen in 'lege' fenomenen of delen zonder substantie. Voorwaardelijk Ontstaan wordt echter opgebouwd door te laten zien dat alle fenomenen hoe dan ook op de een of andere manier verbonden zijn met elkaar, gerelateerd zijn aan elkaar. Je zou kunnen zeggen dat de complete abhidammapitaka eigenlijk niks anders doet dan uitleg geven over deze twee ideeën. Het boek dhammasangani past de eerste methode toe, patthāna de tweede. De opbouw is nauw verweven met de boeddhistische kijk op kamma. De abdhidhamma beschrijft Afhankelijk Ontstaan in voorwaartse richting (anuloma), die overeenkomt met het ontstaan van het lijden - de tweede Edele Waarheid - en in achterwaartse richting (patiloma), die overeenkomt met het verdwijnen van het lijden - de derde Edele Waarheid.

Zonder een goed begrip van de paccaya (condities) is moeilijk te begrijpen waar het hier over gaat. De eerste, de wortel-conditie (hetu-paccaya) is als de wortel van een boom. Net als een boom rust op een wortel en in leven blijft alleen zolang de wortel niet is vernietigd, zo zijn alle mentale staten die wat kamma betreft heilzaam of onheilzaam zijn volledig afhankelijk van het gelijktijdig bestaan van hun respectievelijke wortels: begeerte (lobha), afkeer (dosa) en waandenken (moha). Dit plaats het hele verhaal zonder meer in de context van de Drie Vergiften en dat van verlossing. Met jāti wordt geboorte aangeduid en zo wordt je continu opnieuw geboren in je handelen. Binnen de context van de abhidhamma betekent jāti het opkomen van resulterende staten van geest, hun mentale factoren en de door kamma veroorzaakte materie in een nieuw leven in een of ander bestaansgebied. De vraag wat er over gaat van leven op leven is simpel om te stellen maar lastig om met gezag te beantwoorden. Ik houd het erop dat de kammische zaden hoe dan ook blijven rijpen; die zijn onafhankelijk van jou zodra je de wilsactie hebt verricht. De energie die daarvan uitgaat, gaat hoe dan ook door. Voor de rest meen ik het gewoon niet te begrijpen. Er zijn 24 paccaya die samen alle mogelijke combinaties van voorwaardelijkheid beschrijven. Sommige zijn identiek aan andere maar vormen toch een andere blik op het ontstaan in kwestie.

Verdienste opdoen

Boeddhisten zijn niet de hele dag bezig met de formele Leer. Sterker nog, dat zou niet erg nuttig zijn. Ajahn Chah vergeleek de Leer met een vrucht in één van zijn vele dhamma toespraken. De vrucht is misschien fantastisch van smaak en heel erg gezond voor maar als je haar in je hand houdt, wat is dan het voordeel voor jou? Zo is het ook met de Leer. Het is al heel wat dat je kent en begrijpt maar het vruchtgebruik komt pas als je zelf van binnenuit hebt gezien. Daarvoor wordt meditatie algemeen gezien als de beste methode, in onze traditie. Alle meditatie is bhavana, zogezegd, maar niet alle bhavana is meditatie. Er is genoeg heilzaams te doen.

Traditioneel is geven een belangrijke waarde. Niet alleen geld, of voedsel, geven is dāna, ook de betrokkenheid van leraren bij een retraite of een lesdag is dāna. We kunnen ons oefenen in liefdevolle vriendelijkheid op in één van de andere Hemelse Verblijven. We kunnen teksten reciteren. We kunnen actief anderen gaan helpen. Om precies te zijn houdt karuṇā (mededogen) in dat je ook gaat helpen als het even kan. Dat zit ingebouwd. Al deze zaken en heel wat meer zijn lichte kamma. Elke losse wilsactie, hoe klein ook, die heilzaam is, betekent lichte kamma.

Je hebt hele volksstammen aan boeddhisten die het erom doen. Ze verzamelen verdienste, meestal 'merits' in het Engels. Zo kom je aan meer of minder grote bordjes met je naam erop aan de wand in de tempel als je een donatie hebt gedaan. Laat ik voorop stellen dat elke heilzame actie er gewoon één is. Toch staat hiertegenover dat de monniken en nonnen niet eens bedanken voor het aalmoesvoedsel of de gift die je geeft. Waarom doen ze dat niet? Omdat je anders al gecompenseerd wordt voor je positieve actie. Het gaat erom te gaan inzien hoe prettig geven eigenlijk is en om steeds meer geoefend te raken in los laten, tegen de stroom van het ego in dat maar blijft roepen 'en ik dan?'

We mogen erop vertrouwen dat elke heilzame wilsactie die we doen, hoe klein ook, een beetje positiviteit de toekomst in duwt. Ooit wordt zo'n zaadje rijp en gaat het vrucht dragen. Hebben wij zelf daar nog het nut van? Misschien wel, misschien niet. Andersom is het wel zo dat we de gevolgen krijgen van zaadjes die wij zelf niet gezaaid hebben.

Waarom neem ik Toevlucht? Wat betekent dat?

Men wordt formeel een Boeddhist door zijn toevlucht te nemen tot dit drievoudige Juweel (Tisarana). Een Boeddhist neemt geen toevlucht tot de Boeddha in de hoop dat hij zal worden gered door een persoonlijke daad van bevrijding. Het vertrouwen van een Boeddhist in de Boeddha is als het vertrouwen dat een zieke stelt in een bekende arts of dat een student stelt in zijn leraar.

Het is echter zeer de vraag wat het ritueel precies doet (voor mij, voor jou). Een papegaai kan 'buddhaṃ saranaṃ gacchāmi' leren zeggen maar dat maakt de vogel geen boeddhist. Je kunt jaren oefenen op het pad van de Boeddha zonder formeel Toevlucht genomen te hebben. Ben je dan geen boeddhist? Voor veel boeddhisten geldt het ritueel wel als een in elk geval emotionele overgang en werkt het inspirerend. Net als bij een openbare belijdenis of andere intrede bij een andere religie is ten overstaan van andere mensen verklaren dat je voortaan voor boeddhist wil doorgaan heel wat. Je neemt ook min of meer de sociale verplichting op je om je naar je mooie voornemen te gaan gedragen.

Zoals eerder gezegd geloven wij niet dat de Boeddha ons komt redden of verlossen. Het is echt een duidelijke keuze om zelf (door) te oefenen op het pad van de Boeddha. Het is ook een verklaring dat je geen heilzame weg tot verlossing meer ziet dan alleen het Drievuldig Juweel. Hoewel de bhikkhu(ni)sangha, de Orde van monniken en nonnen, de drager en uitlegger van de Leer is, nemen we binnen het theravāda boeddhisme strikt genomen onze Toevlucht tot de Boeddha, de Dhamma en de Ariyasangha. Deze laatste is de Orde van heiligen, de verzameling van alle mensen die tenminste stroomintrede, de eerste graad van heiligheid, hebben bereikt. Dat kunnen gewijde boeddhisten maar dat hoeft niet altijd! De ariya beoefenaren zijn lang niet allemaal verlicht maar ze hebben wel een volkomen en rotsvast vertrouwen in de Leer en zij kunnen niet meer terugvallen op welke manier dan ook. Zij zijn bijvoorbeeld door hun diepe inzicht in het wezen van het lijden niet meer in staat om bewust één van de Vijf Morele Praktijken, de pañca sīla, te schenden.

In de zin van oefenen is Toevlucht nemen behalve de duidelijke verklaring dat wij geen andere toevlucht voor werkelijk en durend geluk meer zien dan het Drievoudig Juweel ook vooral een verklaring dat wij verantwoordelijkheid nemen. Uit de leer van kamma weten wij dat het op een belangrijke manier uitmaakt wat voor keuzes wij maken. Niet alles in ons leven hangt af van kamma; er zijn andere invloeden, zoals bijvoorbeeld al het weer. Toch kunnen wij kiezen of we min of meer automatisch blijven reageren op basis van onze conditionering of dat we een vrije keus gaan maken. Ik zie wel hoe de dingen gekomen zijn maar is dit wat ik wil? Is dit wat ik wil oefenen? Kan ik niet oefenen met van moment tot moment gewaar zijn en met het oefenen van heilzame staten van geest? Toevlucht nemen is naast een keuze voor eigen verantwoordelijkheid dus ook een keuze voor vrijheid. Die vrijheid is misschien wel de enige vrijheid die werkelijk radicaal is. Ze hangt niet af van conditionering en omstandigheden. De Boeddha helpt ons daarbij als leraar, niet als god. Hij heeft wel uitvoerig en nauwkeurig uit de doeken gedaan hoe het moet.





Versie voor (on-)bekenden

Wat is theravāda boeddhisme?

Het boeddhisme is een vrij grote religie die bestaat uit de prediking van Gotama, later de Boeddha genoemd, en tweeëneenhalf duizend jaar traditie. Er moet ooit een oer-boeddhisme geweest nog voor er splitsingen bestonden en hier wordt boeiend onderzoek naar gedaan. Waar we het echter mee moeten doen is een handvol grote stromingen en daarbinnen vele scholen en lijnen. (Pas in de Sanskriet Canon wordt Gotama's voornaam als Siddharta genoemd. Dit is achteraf terug vertaald door Pāḷi bronnen als Siddhattha. We weten, kortom, niet de volledige naam van de Verheven Leraar.)

De boeddhistische boodschap is niet simpel te vangen in enkele zinnen. Er zijn vele beknopte samenvattingen en de geschreven leer levert genoeg handzame rijtjes op. Die hebben allemaal echter het nadeel dat je daarna denkt dat je het begrijpt. Dat is voor ons ook echt nog niet simpel. Teruggebracht tot de meest simpele termen draait de boodschap van de Boeddha over de manier waarop wij ons tot het leven verhouden. Er gebeurt voortdurend van alles en wij reageren daarop. Verder willen wij min of meer allemaal gelukkig worden. Dat gaat niet zo best. Je kunt dan blijven zoeken maar je kunt ook je blik naar binnen richten, naar de verlangens en afkeren en dergelijke zelf. Hoe ontstaan die? Hoe veranderen en verdwijnen ze? Wat is daar te leren? Dat proces is min of meer wat een actieve boeddhist doet.

De Boeddha ontdekte, zo geloven wij, zelfstandig hoe het leven nou precies in elkaar steekt. Uit dit doorgronden ontstaat vanzelf bestendig geluk en volkomen gemoedsrust. Lijden kan niet meer voorkomen voor zo iemand. Deze wordt verlicht genoemd. Omdat de Boeddha niet alleen dit maar het ook voor anderen mogelijk maakte om deze verlichting te bereiken, vereren wij hem als leraar en voorbeeld.

Er zijn aardig wat stromingen en scholen bekend, de meeste onder de vlag van mahāyāna, het zogenaamde Grote Voertuig. Dit betreft verschillende afsplitsingen, van Zen tot Tibetaans boeddhisme, Pure Land boeddhisme en nog heel wat meer. De enige nog steeds bestaande stroming die hier niet toe behoort is het theravāda, de Weg van de Ouden. Het gaat om een stroming die vasthoudt aan de oudste verzameling geschriften: de Pāḷi canon. Deze teksten zijn in vergelijking sober, stellen meditatie en persoonlijke oefening centraal en tonen een Boeddha die bijzonder hoogstaand en wijs was maar die ook duidelijk een mens was, met alles wat daarbij hoort. (De Boeddha was een redelijk sluw politicus als het nodig was, bijvoorbeeld.) Concepten als de Vier Nobele Waarheden, de Drie Kenmerken van Bestaan, Hergeboorte (niet te verwarren met reïncarnatie!) en het Nobele Achtvoudige Pad voeren de boventoon. De stroming wordt ook wel eens het Kleine Voertuig, hinayāna, genoemd maar dit is redelijk neerbuigend. Hina betekent eerder onvolkomen of halfwas dan klein. Er is een woord voor 'klein' dat veelvuldig voorkomt en culayāna zou kunnen kloppen. Zelf zeggen wij theravāda.

Wat is Toevlucht nemen?

Dit ritueel wordt duidelijk tegen de achtergrond van ons normale gedrag. We nemen als het ware toevlucht tot van alles en nog wat in onze zoektocht naar geluk. Sommige mensen zoeken het in geld of hun sportieve conditie of in hun carrière. Sommigen zoeken het in hun kinderen. Er zijn natuurlijk meer en minder handige en betrouwbare manieren. Toch leiden al deze zaken nooit tot bestendig en volkomen geluk. We blijven talen naar meer, naar nieuwe dingen, steeds weer bevrediging die dan even duurt en vanzelf leidt tot nieuwe behoefte.

Boeddhisten die Toevlucht nemen, verklaren eigenlijk dat zij hebben ingezien dat niets ooit echt voldoet. De Bijbel zegt in 2 Kon. 18:21 iets vergelijkbaars als het gaat om de gebroken rietstaf die de hand doorboort die erop leunt. Vertrouwen in Farao was volgens deze tekst niet aan te raden. Wij verklaren dat wij nog maar één echte toevlucht zien: het Drievoudige Juweel.

Het Juweel bestaat uit drie zaken: De Boeddha, de Dhamma en de Sangha. Die woorden komen vaak terug. De Dhamma is de Leer. We kennen een geschreven leer, de weerslag van de preken van de Boeddha en heel wat meer en een gesproken leer, de toespraken van de monniken en nonnen. Daarnaast hoort eigenlijk de ware, levende Leer op te wellen in de geest van degene die trouw en energiek oefent. De Sangha is de Orde, alle gewijde boeddhisten. Binnen het theravāda zien wij voor het doel van Toevlucht nemen op de ariyasangha, de orde van de nobelen. Nobelen zijn alle mensen, monnik/non of niet, die ten minste een bepaalde staat van ontwikkeling hebben behaald. Deze verklaring zegt eigelijk niks anders dan dat we goed willen (blijven) oefenen met de Dhamma van de Boeddha.

Wat zijn de Vijf Leefregels?

De Boeddha legde honderden regels op aan zijn Orde maar de leek hoeft helemaal niks. Er is geen enkel gebod waar je je aan moet houden om boeddhist te kunnen zijn of blijven. Toch zijn er wel richtlijnen gegeven aan de leken, als die er om vroegen. De meest beroemde verzameling is een rijtje van maar vijf heel algemene leefregels. Deze worden naar het Engels ook wel precepts genoemd.

Niet te doden of te doen doden, deze leefregel zal ik volgen.

Niet te nemen wat mij niet gegeven is, deze leefregel zal ik volgen.

Mij niet seksueel te misdragen, deze leefregel zal ik volgen.

Geen onwaarheid te spreken, deze leefregel zal ik volgen.

Bedwelmende middelen, die onachtzaamheid veroorzaken, niet tot mij te nemen, deze leefregel zal ik volgen.

Op het eerste zicht zijn deze regels erg simpel. Alleen de laatste valt op in onze maatschappij. Waarom willen we ze volgen? Omdat de Boeddha het zegt? Nee, zeer zeker niet. Geen gebod, toch? Een boeddhist kan gaan inzien dat het heilzaam is om het goede te doen en kiest dan als steun dit rijtje. Het is erg traditioneel en geliefd. Eén van de redenen is dat ermee oefenen al heel snel leidt tot verdieping. Wat er precies wel en niet onder valt is voer voor discussies. Die raadde de Boeddha echter af. We houden het erop dat we deze training opnemen en er op onze eigen manier mee oefenen.