sahāyadhammamitta

introductie boeddhisme
Login

Introductie Boeddhisme

Iemand die geïnteresseerd is in het boeddhisme kan verschrikkelijk veel lezen en horen. Het beste is om de meest belangrijke, centrale ideeën te leren kennen. Hoewel er vele verschillende stromingen, scholen en tradities zijn, delen wij allemaal de Vier Nobele Waarheden en het Nobele Achtvoudige Pad. In beide ligt feitelijk alles besloten wat een boeddhist moet weten en doen. De rest, oneerbiedig gezegd, is uitleg. Er is nog een klein aantal punten die in (vrijwel) elke stroming gelijk zijn. Verder komt het veel voor dat dezelfde ideeën op een andere manier worden uitgedrukt.

Deze gids is zoveel mogelijk in helder Nederlands geschreven. Vaktaal wordt altijd vertaald maar ik laat de oorspronkelijke woorden vaak wel staan voor de kenners. Horizontale streepjes op klinkers betekenen dat die klinkers lang zijn. E en O zijn altijd lang. Alle ‘vaktaal’ in dit gidsje is in het Pāḷi uitgedrukt. Dit is de taal waarin de boeddhistische geschriften van de theravāda-traditie, die ik zelf volg, zijn geschreven. De grootste stroming, de mahāyāna, gebruikt Sanskriet. Nog weer andere tradities gebruiken Tibetaans, Chinees of Japans. De Boeddha heeft gezegd dat iedereen de leer in zijn eigen taal moet kunnen leren.  Zie voor meer uitleg over de taal het stuk over de verschillende types of scholen.

Ieders begrip van het boeddhisme is apart. Het mijne is behoorlijk klassiek hoewel ik niet alles wat wordt geloofd zonder meer overneem. Ik geloof niet in letterlijk bestaande rijken en hellen – op de manier waarop de Aarde bestaat - en ik heb grote vraagtekens bij de gebruikelijke ideeën over wedergeboorte/hergeboorte. Ik ga zonder meer uit van mijn diepe vertrouwen in de Leer van de Boeddha en ben zeer overtuigd van het nut van voortdurende oefening. Anderen geloven al die bovennatuurlijke zaken wel en vinden dat zelfs erg belangrijk. Dit is allemaal geen probleem. Allen kunnen en mogen zijn; het draait om de oefening en ieder mens heeft daarin een eigen pad. Verdraagzaamheid is een boeddhistische kernwaarde en wordt zelfs ‘de hoogste ascese’ genoemd. Verder kon je eens iets leren van een ander! Gek genoeg is 'verkeerde visie' duidelijk een gevaar. Het is typisch voor dit geloof om steeds tussen twee uitersten te laveren.

Tenslotte wil ik nog opmerken dat het boeddhisme van oudsher open is. Iedereen kan zonder meer een stukje wijsheid overnemen en er haar of zijn voordeel mee doen. Een bekering is op geen enkele manier noodzakelijk, noch tempelbezoek of lange recitaties in een onbekende taal.

Boeddhisme begint met de Boeddha

De historische Boeddha (een woord dat ‘ontwaakt(e)’ betekent, eerder een titel dan een naam) was een man die ongeveer 2600 jaar geleden leefde in het wat nu het noorden van India en Nepal is. Hij heette Siddhatta Gotama en hoorde tot de Sakya-stam. Hij wordt wel omschreven als kroonprins. Dat is hoogstwaarschijnlijk niet waar maar omdat zijn vader zeer vooraanstaand was, waarschijnlijk een hoge krijgsheer, was een hoge positie aan het hof voor hem te verwachten. Siddhatta verliet op een gegeven moment huis en haard – met achterlating van vrouw en kind – om een zwervende asceet te worden. Dit was indertijd overigens niet ongebruikelijk. Na enkele jaren aan omzwervingen, oefenen onder leraren en diepe contemplatie vond Siddhatta zijn Middenweg en bereikte hij de beroemde Verlichting. De traditionele teksten zeggen dat hij eerst twijfelde zijn leer te gaan onderwijzen omdat die te moeilijk en te subtiel zou zijn. Na een verzoek van Brahma Sahampati (een goddelijk wezen) besloot hij wel te gaan preken, wat hij vijfendertig jaar lang gedaan heeft. De Boeddha stierf op tachtigjarige leeftijd en liet een bloeiende orde en vele volgelingen na. Het verhaal over Brahma Sahampati staat in de ariyapariyesanā sutta (MN 26), De Nobele Zoektocht, volgens sommigen de oudste sutta ooit.

Het is niet zo dat de Boeddha met zijn leer compleet uit de lucht kwam vallen. Het is duidelijk dat het boeddhisme staat op een ondergrond van de toenmalige cultuur. Dat maakt het allemaal niet minder geldig maar het betekent wel dat we goed moeten uitkijken met interpreteren. Het betekent ook dat bepaalde zaken die toen algemeen geaccepteerd werden niet worden besproken of maar zijdelings. De moderne lezer moet zich een beeld vormen van die aannames en voor zichzelf besluiten.

Tijdens het leven van de Boeddha waren er geen standbeelden van hem; mensen zijn niet begonnen met buigen naar dingen tot een eind na zijn dood. Het woord boeddhisme bestond nog niet. De Boeddha zelf sprak vaak van 'dhamma-vinaya' of 'de Leer en de Discipline' (Zie Dhamma). Boeddhabeelden verschenen pas nadat de cultus van Apollo welbekend was in Gundhara en westelijk India. De dynastie van de Seleuciden had zoveel invloed dat de beeltenissen van Apollo niet alleen aanleiding waren voor de zich bedreigd voelende boeddhisten maar zelfs model stond voor uiterlijk en design. Zeker is dat verschillende teksten van keizer Asoka zijn aangetroffen met een Griekse vertaling, klaarblijkelijk bedoeld voor de lokale bevolking. De leerlingen van de Boeddha vroegen hem aan het eind van zijn leven een opvolger aan te wijzen en hij weigerde dat. Hij verwees naar opnieuw naar de Leer. Blijf die bestuderen en oefenen en je bent op de goede weg. Hij maakte geen onderscheid tussen koningen, generaals, handelaren, boeren of wie dan ook. Hij onderwees zelfs vrouwen, wat zeer ongebruikelijk was in die tijd. Er moet wel bij gezegd worden dat het opnemen van vrouwelijke monniken in de Orde pas na flink smeken werd toegestaan. Zie Sangha.

Wat zegt het Boeddhisme?

Wat is het dat Gotama Boeddha onderwees? Dit is niet makkelijk kort te zeggen. Er zijn verschillende manieren van uitdrukken met elk een verschillend doel en met verschillende sterke en zwakke punten. Een hele korte samenvatting is die volgens de Dhammapada, in vers 183:

“Het vermijden van al het kwaad, altijd het goede doen en de eigen geest zuiveren; dit is de Leer van alle Boeddha's.”

Dit is wel erg algemeen. De oorspronkelijke Pāli tekst zou misschien wat uitdagender moeten worden vertaald: “Het uitrukken van alle kwaad, de staat van goedheid binnengaan en het zuiveren van de eigen geest door zichzelf; dit is de Leer van alle Boeddha's.” Dat staat er toch wat scherper. Heel vaak goed doen is ook niet het doel; het is meer constant in een goede gemoedstoestand zijn, ongeacht wat er gebeurt. Toch is het goed om te beseffen dat wat er feitelijk gebeurt in al die rituelen, al die teksten, al die studie en meditatie eigenlijk niks anders is dan dit.

Boeddhisme is omschreven als erg pragmatisch: geen speculaties over een éérste oorzaak van het leven of van het universum, geen theologie, geen aanbidding van een god of goden en geen harde dogma’s. Dat klopt wel min of meer maar dat wil niet zeggen dat er geen bovennatuurlijke zaken in voorkomen. Het is niet terecht om het Boeddhisme ‘atheïstisch’ te noemen. In het bestaan van goden – deva’s – wordt wel degelijk door velen geloofd, er wordt aan hen geofferd en sommige komen voor in de traditionele teksten. De oude hindoe-god Indra komt, met de naam Sakka, vaker voor en krijgt zelfs een hele samyutta – een verzameling – van vijfentwintig korte toespraken voor zichzelf. Er zijn tempels genoeg met een standbeeld van Brahmā. Er wordt wel degelijk geofferd aan deva’s, ze worden gunstig gestemd en om steun gevraagd. Er zijn ook boeddhisten de deva’s min of meer links laten liggen. Hoewel die vrijheid er zeker is, voert het mijns inziens te ver om zoals Stephen Batchelor schrijft, de hele religie terug te brengen naar alleen wat meetbaar is.

De Drie Kenmerken

Dat is echter franje, niet de kern. Waar gaat het om? De kern van de leer komt rechtstreeks voort uit de ervaring en is ook te controleren door iedereen die er de moeite voor wil doen. Als wij naar ons leven kijken en we zijn even stil en echt heel eerlijk dan zien we dat het gemarkeerd wordt door frustratie en pijn. Althans, frustratie en pijn komen uiteindelijk altijd wel langs, ook als we tijdelijk ons geweldig voelen en alles mee zit. Natuurlijk is er genot en plezier en liefde! De Boeddha heeft nooit gezegd: ‘alles is lijden’. Dat zou ook onzin wezen. Wat hij wel ongeveer zei is dat alles onderworpen is aan in elk geval de schaduw van lijden. Al was het maar omdat fijne dingen een keer ophouden.

We voelen hierover frustratie. Dit komt vooral omdat we zekerheid proberen te krijgen over de wereld daarbuiten door dingen vast te leggen op de een of andere manier. We hebben bijvoorbeeld een gesprek gevoerd met een zakenrelatie dat heel goed ging. Onderweg terug fantaseren we al vol enthousiasme over wat daaruit voort kan komen, nee.. zal komen! We zien het al helemaal voor ons. Het nadeel is dat de volgende keer dat we onze relatie spreken, die misschien hoofdpijn heeft en heel kortaf doet. Of er is een ander langs geweest met een nog beter bod dan het onze. De wereld om ons heen is constant aan het veranderen, is impermanent en niet vast te grijpen.

Formeel gezien zijn de drie Kenmerken anicca, dukkha en anattā (anitya, dukkha en anatman in het Sanskriet), oftewel veranderlijk, onderhevig aan lijden en zelfloos. Over de precieze betekenis van die termen zijn boekenkasten volgeschreven. Een korte illustratie moet hier volstaan. Anicca betekent veranderlijk maar meer dan dat: alles wat wij een ding of zelfs maar een concept zouden noemen komt op, blijft nooit precies hetzelfde van moment tot moment en vergaat ook weer. Een boom is een mooi voorbeeld. Het roept direct de vraag op wanneer een groeiend sprietje ‘echt’ een boom is. De Leer wijst die vraag af en wijst op de continue in elkaar overgaande veranderingen. Dukkha is lijden of de schaduw van lijden maar het is een heel breed begrip. Ook de meest verfijnde, diepe stadia van meditatie die vervuld zijn van geluk kennen nog steeds dukkha als eigenschap. Er is wel gezegd dat als lijden de felrood is, dan is dukkha het hele concept kleur. Dukkha ligt in de ervaring, niet in de gebeurtenis zelf. Anders zou een verlicht persoon niet afscheid hebben kunnen nemen ervan. Anattā wordt vaak vertaald met zelfloosheid. Het is een moeilijk begrip waarover zelfs de verschillende stromingen binnen het boeddhisme het niet eens worden. De Boeddha ried af om over een zelf te speculeren. Hij onderstreepte dat op welke manier je een menselijke geest ook opdeelt, je zult nooit ‘zelf’ vinden. Tegelijk vermeed hij extreme visie: enerzijds dat er ‘niets’ is na de lichamelijke dood, anderzijds dat een heel persoon met ziel en al wedergeboren wordt. Dit was indertijd een verrassende leer die goed past bij het doel erachter: werken naar bevrijding. Niet alle vragen zijn nuttig, of kundig om het iets boeddhistischer te zeggen.

Boeddhisten geloven dat er niets is dat niet deze eigenschappen heeft. Er is geen ontsnappen aan. Er is mooi gezegd geen toevlucht in de dingen en concepten van het leven waar je terecht kunt voor voortdurend volkomen of waar geluk. Behalve.. de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, de Boeddha, zijn Leer en zijn Orde (van monniken en nonnen). Zie verder het Drievuldig Juweel.

De Vijf Groepen van Bestaan

Als we heel goed kijken dan zien we dus dat het bestaan de eigenschappen heeft van impermanent zijn, veranderlijkheid en onbestendigheid. Dit is een constante in ons leven: alles gedraagt zich zo, niks blijf gelijk en hetzelfde. We kunnen geloven in een hoger bewustzijn of een eeuwig zelf maar als we ons bewustzijn onderzoeken dan zien we weer dat dit opgebouwd is uit mentale processen en gebeurtenissen (die zelf weer processen zijn). Een hoger, eeuwig of op de een of andere manier vaststaand zelf is op z’n best speculatief. Wij hebben de idee van zelf uitgevonden en proberen er een relatie mee te smeden. Dit maakt onrustig, zelfs angstig af en toe. Het is pas als we elke vorm van begeerte, van vasthouden loslaten dat we verlost worden van die onrust.

De boeddhistische doctrine van zelfloosheid kan zoals gezegd verwarrend werken. Het ego van Freud heeft er weinig mee van doen. Volgens de Leer is ego niks anders van een verzameling mentale gebeurtenissen die we kunnen onderscheiden in vijf khanda’s – hopen of bundels. De eerste khanda is de khanda van vorm, wat het hele fysieke aspect van de werkelijkheid omvat, niet alleen ons lichaam. Dit op zich is gewoon wat is maar er ontstaat identificatie mee, het gebeurt niet alleen maar het gebeurt ‘ons’. ‘Ik’ ontstaat. Dit ik begint te verkennen en reageert op wat het meemaakt. Als het prettig is wat we ervaren dan trekken we het naar ons toe of proberen het te behouden. Als het onprettig is dan proberen we het te beëindigen of duwen het van ons af. Als we het niet prettig én niet onprettig vinden dan laten we het maar zo. De tweede khanda is die van gewaarwording. Onze poging er wat mee te doen is de khanda van perceptie of voorstelling. In het volgende stadium plakken we een label op de ervaring. Als we het in een vakje kunnen stoppen dan kunnen we het beter manipuleren, althans zo lijkt het. We hebben een hele stapel trucs om ermee uit te halen. Dit is de khanda van intenties en gedachten. De laatste stap is de geboorte van een ego, de khanda van bewustzijn. Ego begint met gedachten en emoties steeds maar weer opnieuw in de rondte te draaien in één warrige kluwen. Dit warrige ronddraaien is saṃsāra, letterlijk ‘rondwervelen’. saṃsāra wordt het rad van wedergeboorte genoemd. De manier waarop het ego zich voelt over de situatie en hoe het vervolgens handelt bepaalt in welke van de zes Sferen van Bestaan het zichzelf plaatst.

De Zes Sferen

In de tijd van het vroege boeddhisme werd alleen aan monniken de weg naar Verlichting gewezen. Leken wees met 'de weg naar de hemel', oftewel wat een fortuinlijke wedergeboorte. Volgens de Boeddha is het niet zo dat er niks overgaat van leven op leven, noch is het zo dat een onveranderlijke ziel mee verhuist. Het gaat hier dus niet om wedergeboorte in hindoeïstische zin. Wat er dan wel overgaat is een groot raadsel waarover veel gesproken en geschreven is. De discussie om in woorden te vangen wat eigenlijk niet is uit te drukken gaat tot de dag van vandaag door. Zeker is dat onze daden gevolgen hebben die niet zomaar verdwijnen bij de lichamelijke dood. Het komt dus een beetje dubbel over om 'mijn' volgende leven goed te willen laten zijn als er ten diepste geen 'mij' bestaat. Dit is echter hogere leer waar lang niet iedereen mee overweg kan.

Boeddhistische wedergeboorte vindt plaats in één van de zes Sferen: de sfeer van de Hongerige Geesten, die van de Dieren, de Hel, die van de Jaloerse Goden, de Goddelijke Sfeer en de Menselijke Sfeer. Deze wedergeboorte kan letterlijk opgevat worden maar ook overdrachtelijk. Elk van de Sferen heeft kenmerken die nu levende mensen ook hebben. Hoewel de eerste drie de Lagere Sferen worden genoemd, is géén van de Sferen een goed doel op zich. Het gaat uiteindelijk om Verlichting. Wel is het zo dat streven naar een fortuinlijke wedergeboorte en het positieve gedrag vertonen dat daarbij hoort op zich al beter is dan dat niet doen.

Zie verder Wedergeboorte voor meer uitleg over de Sferen.

De Vier Nobele Waarheden

De meest gebruikelijke samenvatting van de hele Leer is die volgens de Vier Nobele Waarheden.

  1. Er is lijden in alles.
  2. De oorzaak van het lijden
  3. De opheffing van het lijden
  4. Het pad naar de opheffing van het lijden

Boeddhisten worden er soms van beschuldigd zwartgallige types te zijn, vooral vanwege de eerste nobele waarheid die helaas wel eens als ‘alles is lijden’ wordt begrepen. Het is natuurlijk niet waar dat alles lijden is! Wat de Boeddha echter heel scherp opmerkte is dat er niets is – geen ding, relatie, geen proces, zelfs geen idee – waarop je je uiteindelijk kunt verlaten. Alles stelt een keer teleur, al was het maar omdat het eindig is. Het heerlijkste gevoel levert al (de schaduw van) lijden op omdat we het willen vasthouden maar weten dat het toch ophoudt.

De oorzaak van het lijden volgens de Boeddha is begeerte naar iets. Onderscheiden worden zintuiglijke begeerte, begeerte naar bestaan en begeerte naar niet-bestaan. Achtereenvolgens kunnen we dat begrijpen als de hunkering naar sensueel of zintuiglijk genieten, de begeerte te willen houden wat is of de begeerte iets te willen krijgen of worden en juist ook de begeerte naar dat iets of iemand verandert of ophoudt te bestaan. Ook willen sterven valt hieronder. “Ik wil een biertje.” “Ik wou dat ik rijk was.” “Ik wou dat nooit oud zou hoeven te zijn.”

De opheffing van het lijden bestaat. Dit is het goede nieuws dat meestal genegeerd wordt omdat alle aandacht naar dat verkeerd begrepen eerste stuk gaat. Het kan. De mens heeft de potentie om alle lijden voorgoed achter zich te laten en volkomen of waar geluk te ervaren. De Boeddha heeft het gedaan en heeft uitgelegd hoe iedereen dit kan doen. Als we buigen voor de Boeddha of voor een standbeeld van hem dan buigen we voor de Verheven Leraar maar ook zeker voor die potentie in onszelf ook het lijden op te heffen. In sommige stromingen zegt men wel dat alles en iedereen ‘boeddha-natuur heeft’. De opheffing is te vinden in “ het gaandeweg verdwijnen en uiteindelijk ophouden van voornoemde begeerten. Het opgeven, het laten varen, het loslaten en de verwerping van deze hunkering zonder dat er een spoor van overblijft.”

Nou, dat wil ik wel. Hoe pak je dat aan? Ook dat vertelt de Boeddha: de vierde Nobele Waarheid is het Nobele Achtvoudige Pad, ook bekend als de Middenweg. Dit pad vermijdt extremen en geeft in eerste instantie praktische tips om te oefenen. Het is opvallend dat gaandeweg de verschillende stappen van betekenis veranderen en zich verdiepen. Hoewel de klassieke omschrijving compact is, subtiel en moeilijk te begrijpen is er eigenlijk niks anders dat je nog nodig hebt. De Boeddha heeft zelfs verklaard dat in elke traditie die deze praktijken verkondigt, verlichte personen gevonden worden. In het kort: een moreel hoogstaand leven en de ontwikkeling van concentratie en wijsheid. Dat brengt ons weer helemaal terug naar Dhp 183: “ Het vermijden van al het kwaad, altijd het goede doen en de eigen geest zuiveren; dit is de Leer van alle Boeddha's.”

Het Nobele Achtvoudige Pad

Het Nobele Achtvoudige Pad is een oefenprogramma voor de hele mens waarmee langzamerhand het lijden verlaten, losgelaten, kan worden net zolang tot het eindpunt is bereikt. Volgens de traditie kost dit vele levens. Het kan ook snel. De vier Edele Waarheden hebben allemaal een taak die eraan verbonden is: het lijden moet begrepen worden, de oorzaken moeten verlaten worden, de opheffing van het lijden moet verwezenlijkt worden en het pad moet ontwikkeld worden.

De acht stappen op het Pad:

Deze acht worden ook wel in drieën samengevat als een training in moraal, concentratie en inzicht of wijsheid. Ze hoeven niet op volgorde te worden behandeld. Ze versterken elkaar en kunnen dus goed tegelijk beoefend te worden. Toch heeft het zin om te beginnen met je leven moreel gezien op orde te hebben. Dit maakt het een stuk makkelijker om goed te oefenen met de rest. Het betekent dus ook dat mediteren alleen niet echt een boeddhistische methode is. Meditatie in deze zin is meer dan elke dag even een half uur uit de rat race stappen om een beetje bij te tanken en dan weer gewoon op de oude voet verder te gaan. Het is integraal onderdeel van het trainingsprogramma dat ook moreel hoogstaand leven en andere oefeningen omvat.

Alle acht onderdelen zijn weer opgesplitst in drie of meer subonderdelen. Boeddhisme is op een bepaalde manier echt een geloof van lijstjes. Er zijn duizelingwekkend veel concepten en lijsten daarvan. The Complete Book of Buddha's Lists van dr. David N. Snyder noemt er tientallen. Dit zijn echter niks anders dan steeds weer nieuwe pogingen om de kern van het verhaal nog eens duidelijk te maken. De ene mens reageert goed op deze manier van uitdrukken en de andere weer op een andere manier. De Boeddha wist dat.

Het aardige is dat de mens die zich richt op mildheid, wijsheid en compassie eigenlijk al automatisch op de goede weg komt. De Boeddha vertelde desgevraagd dat aanhangers van andere geloven (atheïsten had je toen denk ik niet) heel ver konden komen in hun spirituele ontwikkeling. In elke leer waarin het Nobele Achtvoudige Pad – in welke bewoordingen dan ook – onderwezen wordt, vindt je verlichte personen.

Er is veel te doen over het Nobele Achtvoudige Pad en voor een flink gedeelte ligt dit aan het taalgebruik. Pāḷi is een verschrikkelijk oude taal met een grammatica die flink verschilt van de onze. Feitelijk heette de taal zelfs geen pāḷi – pāḷi is het woord dat ‘taal’ betekent. Wat we nu aantreffen in de canon is een vorm van Magadhan, uit de Prakrit-taalfamilie waartoe Sanskriet ook behoort. Er zijn duidelijke tekenen van redactie en aanpassingen te herkennen hier en daar, waaronder in de wereldberoemde Metta Sutta.

Dit leidt soms tot verschillen van inzicht. De term ariya-sacca kan ‘nobele waarheid’ betekenen maar ook ‘waarheid van de nobele(n)’ of ‘waarheid voor een nobele’. De traditionele commentaren noemen de eerste mogelijkheid alleen onderaan de lijst, als ze die al noemen. Het is lastig te achterhalen wat de Boeddha exact bedoeld heeft. Ervaring met de teksten leert dat hij mogelijk doelbewust ambivalent was. Dit lijkt het geval te zijn. Het gebeurt met grote regelmaat dat woorden die in de culturele achtergrond bekend waren in de sutta’s een technische of toegepaste betekenis krijgen. Sanskriet levert ongeveer dezelfde uitdagingen op. Dit maakt het verschrikkelijk gevaarlijk om discussies te voeren op grond van losse citaten, zeker als daar het eigen gelijk mee behaald zou moeten worden. Dat is geen goede boeddhistische manier van doen.

In navolging van Anagārika Govinda gebruik ik het woord 'volkomen' om het Pāḷi woord sammā te vertalen. Ik vind het wat beter dan 'Juist'. Engelse vertalingen spreken meestal van Right en ook niet van Correct en die connotatie heeft 'juist' wel. De gebruikelijke vertaling van de laatste stap is 'juiste/volkomen concentratie' maar dit kan het verkeerde beeld geven. Ajahn Brahmavamso, bijvoorbeeld, ontkent zelfs dat het om concentratie gaat. Het moet stilte zijn. Persoonlijk zou ik samādhi liever vertalen als 'eenpuntigheid'.

In deze introductie ga ik niet verder in op de subtiliteiten en onderlinge verbanden in het Pad. Gek genoeg wordt dit door ervaren boeddhisten vaak als basiskennis gezien. Zij houden zich liever bezig met wat ze zien als hogere leer. Ik ben er echter van overtuigd dat steeds weer terugkeren naar de basis om dan te begrijpen dat de betekenis voor jou veranderd is, gegroeid, uitermate nuttig is.

Is het boeddhisme een religie?

Dat hangt er nogal vanaf en dan vooral van wat iemand wil. Er zijn mensen die zich enorm aangesproken voelen door de (kern van) de leer van de Boeddha maar om wat voor reden dan ook een afkeer hebben van religie. Het kan dan heel prettig zijn om te constateren dat het eigenlijk een levenswijze of een filosofie is. Dan zijn er mensen die zelf al een religie hebben en toch ook de Boeddha willen volgen. Kan dat wel? Dan is het handig als het boeddhisme geen religie is.

Vanuit de leer zelf is dit echt geen interessante vraag. De boeddhadhamma (leer van de Boeddha) was om te beginnen geen religie; in het India van die tijd bestonden geen verschillende religies. Er waren wel flink wat verschillende sektes die min of meer in dezelfde culturele achtergrond stonden. De sutta’s (voordrachten) en zeker de vinaya (de orderegels) zijn voornamelijk soteriologisch van aard. Er moet, kortweg, gered worden. Je moet oefenen en daardoor nibbāna bereiken, de Verlichting. De Boeddha spreekt bij voortduring over antwoorden en zelfs vragen die al of niet gericht zijn op het doel, leiden naar Verlichting. Als ze daar niet op gericht zijn, komt er gewoon geen antwoord. Pas veel later, gedeeltelijk in de abidhamma en zeker in de eeuwen daarna zijn er pogingen ondernomen om het geheel tot een soort filosofisch systeem te maken. Nagarjuna wordt gezien als één van de meest belangrijke boeddhistische filosofen in de meeste tradities hoewel vooral in Mahāyāna.

Hoe word ik boeddhist?

Boeddhisme wordt door verschillende mensen van de paar honderd miljoen verschillend beleefd. Er zijn intens vrome boeddhisten die in een boeddhistisch gezin geboren zijn en veel offeren aan de tempel en eten aanbieden aan monniken. Er zijn boeddhisten die veel mediteren. Die zijn er vooral in het Westen en meestal zijn ze bekeerd. Van alles kan. Er is geen set eisen waaraan je gehouden bent. Er zijn mensen die zich boeddhist noemen maar daar feitelijk weinig mee doen. Er zijn mensen die de leer van de Boeddha dagelijks toepassen en flink oefenen maar om allerlei redenen zich geen boeddhist (willen) noemen. Je bent boeddhist op het moment dat je zelf vindt dat je dat bent.

Boeddhisten, zeker nieuwe, die serieus een keuze willen maken om dit voortaan als hun religie of in elk geval hun weg te zien en dat ook toe te passen, nemen toevlucht. Dit is geen geloofsverklaring. Dit is een driemaal herhaalde formule die de Boeddha, de Dhamma (diens leer) en de Sangha (diens orde) noemt als onze toevlucht. De gedachte hierachter dat er géén andere toevlucht te vinden is in de wereld of zelfs maar in onze gedachten waar je je echt op kunt verlaten. Alles maar dan ook alles stelt uiteindelijk teleur, al was het maar omdat het eindig is. De Boeddha, de Dhamma en de Sangha, samen bekend als tisarana, het Drievuldig Juweel, zijn onze enige toevlucht.

Je kunt in een tempel op feestelijke wijze toevlucht nemen als je dat wil. Dan krijg je heel wat meer Pāḷi of Sanskriet of Chinees over je heen en neem je toevlucht vaak samen, in een groep, tegenover een monnik. Doe dit vooral als je van tempelritueel houdt. Het kan erg inspirerend werken. Aangezien de losse tekst zelf geen betekenis heeft als je het niet meent – het zijn uiteindelijk trillingen in de lucht en niet meer – is toevlucht nemen een bevestiging van je geloof.

Hoe doe ik dat in de praktijk?

Als leek hoef je je niet aan eisen te houden. Er is zelfs geen enkel hard gebod of verbod. Je kunt naar een tempel om daar te luisteren naar of mee te doen met de recitaties, je kunt naar de toespraken die er gehouden worden over de leer en de toepassing ervan. Je kunt offers gaan brengen en bijdrages aan de tempel. Je kunt het ook niet doen. In Azië ligt de nadruk van het boeddhistische leven wel bij deze dingen. Daar wordt echter bijzonder weinig gemediteerd. Zelfs de monniken lijken er nauwelijks aan toe te komen. Mediteren doen we in het Westen weer wel veel. Vooral autochtone Westerlingen die op latere leeftijd tot het boeddhisme komen willen nog wel eens flink mediteren. Beide zijn echter goed, het een hoort bij het ander.

Belangrijke thema's voor boeddhisten zijn vrijgevigheid (dāna) en mededogen (karuṇā). Bij vrijgevigheid horen niet alleen donaties aan tempels maar ook vrijgevigheid tegenover anderen. Dat hoeft niet eens over geld te gaan. Tijd of moeite moet ook gegeven worden en ook dat is dāna. Luisteren naar iemand die alleen maar z'n verhaal kwijt wil en niets anders doen dan er zijn voor die ander.. dāna. Een offer (pūjā) is niets anders dan een formele vorm van dāna.  De Orde (van monniken en nonnen), of de Sangha, is wel officieel 'geschenken waardig, offers waardig'. (Zie de tiratanānussati onder Sangha). In het algemeen wordt aangenomen dat geschenken aan de Sangha beter Kamma opleveren.

Mededogen is een grote waarde, onderdeel van de vier Hemelse Verblijven, die geoefend moet worden en wel zoveel mogelijk. Er zijn speciale meditaties voor. Af en toe medelijden voelen is daarbij niet de bedoeling: vrijwel iedereen doet dit toch al en bijzonder is het niet. De geest moet voortdurend in een staat van medelijden verkeren met het lijden van alle wezens. Dit heeft uiteraard invloed op het gedrag. Hoewel het zeker niet verplicht is, zijn veel boeddhisten vegetariër.

Dit is keurig genoeg. Het Nobele Achtvoudige Pad is gericht op de pijdragers. Wil je nu toch meer formeel gaan oefenen en werken aan het bereiken van nibbāna - de Verlichting - en dan heb je het bovenwereldlijke pad nodig. Een goed begin is dan het aannemen van de Vijf Morele Praktijken, de pañca-sila. Dit houdt in het kort in dat we ons voornemen om voortaan af te zien van doden, stelen, seksueel wangedrag, liegen en het gebruik van alcohol en drugs. Als dit te heftig lijkt dan is het ook goed om drie regels aan te nemen, of één. Het is training, niet meer dan dat. Aangeraden wordt overtredingen niet als een groot probleem te zien - het boeddhisme kent het begrip 'zonde' niet - maar de regels wel zeer serieus te nemen. Zie verder de Vijf Morele Praktijken of trainingsregels. Als je je geestelijke ontwikkeling echt serieus wil aanpakken dan kun je naast de Vijf Morele Praktijken ook de Tien Perfecties gaan oefenen.

Daarnaast is het bijzonder heilzaam om te leren mediteren. Bij overgrote voorkeur leren mensen mediteren van een leraar. Ook het lezen van commentaren en boeken erover, het luisteren naar toespraken van monniken is echt aan te raden. Zonder goede instructie gaat meditatie meestal nergens naartoe en het kan zelfs gevaarlijk zijn, vooral als mensen niet geestelijk niet goed in hun vel zitten. Goed geïnstrueerd is meditatie enorm bevorderlijk voor alle delen van de oefening.

Ook sutta's lezen is goed om te doen en als je het aandachtig doet, geldt het als een vorm van meditatie. Je leest heel direct wat de Boeddha gezegd heeft over een scala aan onderwerpen. Er is echter nauwelijks beginnen aan als je niet al weet waar je moet kijken. Het artikel over de tipiṭaka bevat een lijst met verschillende onderwerpen en de beste sutta's om daarover te lezen.

Vervolgens rest er niks anders dan het gewone leven. Boeddhisme is niet gelijk aan de rituelen en de teksten; daar begint het pas! De waarden en voornemens dagelijks toepassen is het echte karwei.

Wat zijn de verschillende types of scholen van het boeddhisme?

Het oude, pre-sektarische, boeddhisme is volkomen verdwenen. De theravāda (leer van de ouden) wordt vaak gezien als de oudste stroming, vooral door de eigen aanhangers. Er zijn goede redenen om dit te geloven, gezien de thematische ontwikkeling van theravāda naar mahāyāna (grote voertuig). Mahāyāna boeddhisme wordt door velen gezien als een zuiverder leer. Deze stroming is op bepaalde manieren jonger maar de oudste nog bekende sutra is een mahāyāna sutra. Waar theravāda uit een hindoe-achtergrond komt van voornamelijk de Upanishaden, vertoont mahāyāna flinke (latere) invloeden van de Vedische en Vedanta geschriften. Van oudsher was – en is! – India een syncretistisch land waarin op heterodoxie wordt gereageerd met assimilatie veel eerder dan met repressie. De theravāda canon vertoont flink wat discussie en polemiek tegen verschillende groepen asceten, de Jaïn en zeker de Brahmanen komen er niet best vanaf. De mahāyāna canon verhoogt de polemiek behoorlijk maar richt zich op discussies met andere stromingen.

Toen mahāyāna boeddhisme Tibet bereikte, ontmoette het daar het inheemse Bon. Het gevolg is vajrayana (diamanten voertuig). In China ontmoette het flinke weerstand van het daar populaire confucianisme maar in Japan ontstond Zen uit een synthese met Shinto-ideeën. Een relatief vroege toevoeging uit India is het Pure Land boeddhisme, wat zich richt op de boeddha Amitābha. Door zijn naam te reciteren – een vorm van mindfulness beoefenen – of een kort vers of bepaalde visualisaties te doen zou wedergeboorte in het Pure Land bewerkstelligd worden. Over het algemeen hebben boeddhisten in Azië geen moeite met het offeren aan hindoe goden zoals Brahmā. Een overzicht als dit kan niet anders dan te kort zijn en veel laten vallen.

Hīnayāna, tenslotte, is hoe theravāda vaak wordt genoemd door de aanhangers van de mahāyāna. Waar mahāyāna het grote voertuig is, is hīnayāna dan het kleine voertuig. Theravādin zelf vinden dit vaak niet prettig. Het woord mahā betekent inderdaad groot maar dan zou je cula verwachten voor klein. Er zijn meerdere Pāli suttas bekend in mahā en cula varianten. Hīna is een min of meer lelijk woord dat wijst op minder of lager zijn (denk aan het kaste-systeem) of aan ‘niet voldoen’ zoals in niet voldoen aan de eisen of aan de leer. Het is een polemische term die om die reden inderdaad beter niet gebruikt wordt.

Zie verder Ontwikkeling boeddhisme en stromingen.

Is er een boeddhistische equivalent van de Bijbel?

Er zijn zeker heilige geschriften. Dit is echter een veel meer complexe vraag dan zij in eerste opzicht lijkt. Als geïnteresseerde of zelfs als beginner doe je er veel beter aan om een behoorlijke inleiding op de leer van de Boeddha te lezen dan om de teksten in te duiken.

Elke (hoofd-)stroming heeft een eigen canon. Er is een theravāda-canon in het Pāli, een mahāyāna-canon in het Sanskriet, een vajrayana-canon in het Tibetaans, Chinese en Japanse geschriften. Geleerden bestuderen varianten in meerdere dode talen die verder nog over zijn. De Pāli canon bevat drie korven (verzamelingen) die bestaan uit respectievelijk drie, vijf en zeven delen die elk weer bestaan uit tientallen tot honderden teksten voor een totaal van meer dan tienduizend geschriften. Een voorbeeld: de bij veel boeddhisten zo geliefde spreukenverzameling Dhammapada (in de pāli-variant) is een onderdeel van de khuddaka nikaya, wat een onderdeel is van de sutta pitaka wat weer een (gigantisch) onderdeel is van de tipitaka, de complete canon. De Dhammapada zelf bevat vierhonderddrieëntwintig verzen, verdeeld over zesentwintig hoofdstukken.

Er wordt beweerd dat meerdere nu levende mensen de hele canon uit hun hoofd kennen. Sanskriet canon is een slag groter. De overige canons weet ik te weinig van om iets over te zeggen.

Het begrippenapparaat dat de teksten gebruiken is divers, ontstaan over meerdere eeuwen en wijkt behoorlijk af van wat Westerlingen gewend zijn. Al deze tekst echter wordt niet gezien als het woord van een god. De Boeddha was geen god maar een mens (in zijn laatste leven) en dat juist erg belangrijk. Het is geen geopenbaarde tekst van boven maar niet meer dan de schriftelijke weergave van wat de Boeddha heeft gezegd tijdens zijn lange carrière als leraar, gecombineerd met regelgeving en verzen.

Net als in veel andere religies zijn er natuurlijk mensen die de strakker denken over de precieze tekst dan anderen. Er is ook een goede reden voor: er wordt stevig gewaarschuwd tegen ‘verkeerde visie’. Juiste of volkomen visie wordt echter gedefinieerd als het doorgronden van de Vier Nobele Waarheden.

Het boeddhisme is in eerste instantie niet bedoeld om te geloven maar om te doen. Het kan heel interessant zijn om te discussiëren of pa ṭiccasamuppāda geldig is voor saṅkhārā alleen of breder kan/moet worden toegepast maar.. draagt dit bij aan je oefening, leidt dit tot nibbāna? De leer is – volgens de Boeddha zelf! – niet belangrijk om zichzelf. De leer is belangrijk omdat die tot verlossing leidt. Zodra je het einddoel hebt bereikt, de Verlichting hebt bereikt in dit leven, dan laat je de leer achter als een vlot dat je op het strand achterlaat na je oversteek. Het is niet meer nodig.

Wat zijn de fundamentele overeenkomsten van theravāda, mahāyāna en vajrayana?

Wat je ook gelooft of vindt van het gigantische geheel aan boeddhistische ideeën en concepten, tot welke stroming of school je ook behoort, het Nobele Achtvoudige Pad zal je altijd delen met alle anderen. In de duizenden en duizenden toespraken die de Boeddha gehouden heeft kwam hij keer op keer terug op het pad, steeds weer uitgedrukt voor weer anderen met net andere bewoordingen. Het blijft de absolute kern van de boeddhistische oefening.

Er is een wijde waaier aan verschillende rites, gewoontes en gebruiken te vinden in het boeddhisme zoals dat nu beleefd wordt. Ook wat doctrines betreft wil er nogal eens wat verschillen. Alle stromingen delen echter de echte kern van het Nobele Achtvoudige Pad en de Vier Nobele Waarheden. Het kan zijn dat ze er andere woorden voor gebruiken maar theravāda, mahāyāna, tantrayāna, mahāmudrā, dzogchen en zen erkennen hiernaast allemaal de Vier Fundaties van Mindfulness, de Vier Kundige Inspanningen, de Vier Bases van Mentale Kracht, de Vijf Geestelijke Vermogens en de Zeven Factoren van Verlichting.

De manier van oefenen kan aardig verschillen maar allemaal mediteren we wel ongeveer op dezelfde manieren. De verschillende Zen-scholen kennen een flinke nadruk op 'gewoon zitten' zonder extra's. Dit is echter niet nieuw maar een andere focus en manier van uitdrukken.

In 1967 kwam het First Congress of the World Buddhist Sangha Council (WBSC) bij elkaar. De eerwaarde Walpola Rahula (bekend van zijn boekje What the Buddha Taught) stelde een lijst op van punten die de grote hoofdstromingen van Theravāda en Mahāyāna (en in het verlengde van de laatste ook Vajrayana) bij elkaar moest brengen. De lijst werd unaniem aangenomen.

Wie is die dikke, lachende Boeddha?

De gezette lachebek is niet de Boeddha, zelfs niet een boeddha. Dit is Budai, ook bekend als Hotei of Pu-Tai in China, Japan en Vietnam voornamelijk. Budai is én een monnik én een godheid binnen het zen-boeddhistisch pantheon. Het is onduidelijk of er historisch gezien een Budai heeft bestaan.  In China staat hij symbool voor tevredenheid en overvloed. Hij kon allerlei wonderen doen, voorspelde de toekomst en vermaakte dorpelingen, vooral kinderen. Er wordt zelfs gezegd dat hij één incarnatie is van Maitreya, de komende Boeddha.

Boeddha’s – in de zin van een compleet en zelfverlichte ‘echte’ boeddha zoals Gotama Boeddha – worden nooit als dik voorgesteld maar eigenlijk altijd als behoorlijk slank. Dit moet dan wel gezien worden als de gulden middenweg tussen vetzucht en ascetisme, wat extreme magerte zou tonen.